Begripmoslimschristenen.jouwweb.nl
Home » Leerhuis
MFitzgerald.jpg

Uit Begrip 1/2015 

Is een dialoog met de Islam mogelijk in het licht van de conflicten in het Midden Oosten en de IS?
Op 6 maart jl. organiseerde de Katholieke Universiteit van Amerika een bijeenkomst waar een inleiding werd gegeven door aartsbisschop Michael Fitzgerald , emeritus nuntius in Egypte en ex-president van de pauselijke Raad voor de Interreligieuze dialoog. Hij hield een inleiding over het onderwerp: is een dialoog met de islam mogelijk, gezien de conflicten in het Midden Oosten en het oprukken van de Islamitische Staat?


Fitzgerald is lid van de Sociëteit van de Missionarissen van Afrika en geschoold in
de Arabische en de moslimgedachtenwereld. Met zijn achtergrond is hij de aangewezen man om op boven gestelde vraag in te gaan. Hij was een groot deel van zijn leven betrokken bij de dialoog met de islam en kent de moeilijkheden ervan.

1 Allereerst is er een groot verschil tussen de ervaring van Jezus en Mohammed en dus in de ervaringen die ten grondslag
liggen van deze twee religies. Beide waren profeet met een boodschap aan de wereld van ommekeer en bekering. Beide verzamelden leerlingen om zich heen. Maar Jezus predikte het koninkrijk van God, een koninkrijk dat niet van deze wereld was. Zijn boodschap was een in de kern van de zaak een godsdienstige boodschap die, beleefd kon worden los van een politiek kader, al wilde ze natuurlijk wel het gedrag van mensen beïnvloeden. Mohammeds boodschap was in wezen ook religieus: de erkenning van de ene God tegen het overheersende veelgodendom in. Maar er was ook een
sociale dimensie mee verbonden die de vorming van een nieuwe gemeenschap met zich mee moest brengen die niet gebaseerd was op bloedbanden of stamtoebehoren maar op de godsdienst: de oemma. De oemma is de wereldwijde zowel godsdienstige als een politieke gemeenschap en zij nam
wapens op om te overleven. Mohammed was een profeet en een politicus tegelijk.
Het voor-Constantijnse christendom was daartegenover een zuiver religieuze beweging die geen wapens opnam om te overleven. 

Natuurlijk, het christendom werd later ingepalmd door politici en staatslieden, allereerst door de Byzantijnse heersers en later door allerlei vorsten en
heersen, maar in beginsel was het christendom onafhankelijk van enige politieke macht. Daartegenover was de Islam vanaf het eerste begin een afgescheiden gemeenschap die zowel religieus was als politiek en het verdedigen van die
gemeenschap, indien nodig met wapens, een natuurlijke component is van de Islam. Moslims hebben de neiging om terug te kijken naar die beginperiode, die van de kaliefs als de tijd van de glorie en van de ware islam. De eeuwen door heeft dit talrijke wederoplevingsbewegingen geïnspireerd. Jihads tegen moslims die niet een zuivere versie van de islam praktiseerden, waren een algemeen verschijnsel. De meeste van deze bewegingen waren lokaal en was een kort leven beschoren. Een uitzondering daarop vormt de Wahhabi-beweging die in de 18e eeuw begon en nog steeds bestaat en
ondersteund wordt door Saoedi Arabië.

2. De aantrekkelijkheid van het Kalifaat.
Na de dood van Mohammed ontstond er een scheiding tussen soennieten en sjiieten, vanwege hun verschil van mening over de opvolging van de profeet. De sjiieten geloven dat Mohammed zijn neef Imam Ali, als zijn opvolger heeft aangewezen. De sjiieten geloven dat er 12 imams waren die Mohammed volgden. Elf van deze imams wijzen een opvolger aan en die moet behoren tot de familie van de profeet. De 12e imam, leefde in de verborgenheid en aan het eind van de tijden zal hij als de Mahdi, terugkeren om een rijk van rechtvaardigheid te vestigen.
Soennieten geloven dat Mohammed geen voorzieningen had getroffen voor zijn opvolging en dat daarom de opvolging bepaald moest worden door een keuze door de belangrijkste leden van de gemeenschap. Ondanks deze verschillen van mening functioneerde het kalifaat in die eerste periode van uitbreiding en welvaart als een centrum voor de eenheid
van Moslims. Dit duurde tot in het midden van de 10e eeuw. Toen begon het kalifaat aan betekenis in te boeten. In 1924 heeft Mustafa Kemal Ataturk het kalifaat definitief afgeschaft.
Al had het iets aantrekkelijks, het kalifaat is maar kort een dominante factor geweest in het leven van de Islam en heeft eeuwenlang zeker niet gefunctioneerd als de verenigende politieke kracht.

Abu Bakr al-Bagdadi’s aankondiging dat hij de kalief is, is veroordeeld door gezaghebbende moslimautoriteiten. Yusuf al-Qaradawi, de voorzitter van de Internationale Unie van Moslimgeleerden, heeft gezegd dat de titel ‘kalief’ alleen kan worden verleend door de gehele Moslimgemeenschap.
3. De sjariea, de wet waardoor de oemma wordt geordend.
Voor de sjariea zijn 4 bronnen aan te wijzen: de Koran, de soenna (= traditie, uitspraken en het leven van de profeet, zoals overgeleverd door tijdgenoten tot en met de 3e generatie na Mohammed), qiyâs (analogie en vergelijking van vroegere uitspraken van islamitische juristen)en ijmâ (overeenstemming onder de meerderheid van islamitische geleerden).
Deze meervoudige bronnen en de onduidelijkheid van de teksten leiden tot debat en verschil van mening over de sjariea zodat er op zijn minst 4 verschillende scholen zijn de interpretatie van de sjariea.
Als dus ergens wordt verkondigd dat de sjariea zal worden toegepast is de eerste vraag die gesteld moet worden: welke sjariea? En wie beslist welk type van sjariea zal worden toegepast? Wie ziet toe op de uitoefening ervan, daarmee garanderend dat alle voorwaarden vervuld zijn om tot een goed en rechtvaardig oordeel te komen? De jihadisten die de Islamitische Staat hebben uitgeroepen en bepalen dat
daar de sjarieah zal worden toegepast onder leiding van een zelfbenoemde kalief, volgen geen islamitische traditie wat ze ook beweren. Een dialoog met deze mensen is onmogelijk omdat ze zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze geen behoefte eraan hebben om naar anderen te luisteren.
Toch is een dialoog met moslims wel mogelijk. De Pauselijke Raad voor de Interreligieuze dialoog onderscheidt 4 mogelijkheden en moedigt die ook aan.


De dialoog van leven, of wat Franciscus noemt harmonieus samenleven, krijgt vorm waar mensen ernaar streven te leven in een open sfeer van goed nabuurschap, die hun vreugde en hun verdriet delen, hun menselijke problemen en hun vooroordelen. Eeuwenlang hebben christenen en moslims
naast elkaar geleefd in Afrika en Azië en nu zijn de moslims in groeiende aantallen aanwezig in Europa en Noord Amerika.
Er moeten initiatieven genomen worden om mensen te helpen elkaar te leren kennen en zo tot harmonie te komen. Het toenemende geweld maakt dit moeilijker maar ook meer noodzakelijk.

De dialoog van het handelen
Deze dialoog speelt zich af waar christenen en moslims gezamenlijk geconfronteerd worden met problemen in de samenleving.
Zoiets zien we bv. op het vlak van de pro-life beweging, in het opkomen voor de rechten van de mens, bij sociale hervormingen en bij zorg voor het milieu. Gezamenlijke inzet schept begrip en vertrouwen.

De dialoog van het debat
Deze speelt zich af waar specialisten op zoek zijn naar meer begrip van ieders erfenissen en om elkaars geestelijke waarden meer te gaan waarderen. Onderwerpen als rechtvaardigheid in de internationale handelsrelaties, de ethiek van het zakendoen, respect voor het milieu en vragen van de bio-ethiek komen in deze vorm van dialoog aan de orde. Soms komen er ook puur theologische thema’s aan de orde zoals heiligheid,
geloof en de menselijke persoon. 

De dialoog van de spirituele ervaring.
Dit is de dialoog waarin mensen die geworteld zijn in hun eigen godsdienstige tradities, hun spirituele rijkdom delen. Te denken valt aan ‘gebed’ ‘contemplatie’, ‘geloof’ en ‘wegen om God te zoeken’. Religieuze gemeenschappen als de Benedictijnen en de Trappisten zijn met deze vorm van dialoog bezig.
De dialoog tussen christenen en moslims bestaat en is daarom dus mogelijk. Maar de situatie is op verschillende plaatsen en streken heel verschillend.
Er zijn plaatsen waar erg weinig of geen interesse is voor vormen van dialoog en er zijn andere plaatsen waar de relatie met hun moslimburen een normale zorg is voor christelijke gemeenschappen. Maar naast het gegeven dat samenwerking groeit, is het ook waar dat er zoveel wederzijds wantrouwen is, dat de dialoog moeilijker maakt.
Fitzgerald gaf in zijn inleiding aan dat hij weinig verwacht van internationale bijeenkomsten van religieuze leiders en geleerden. Het verschil wordt pas echt gemaakt door de dialoog en de samenwerking op plaatselijk vlak.
Dat moet niet gezien worden als een brandweerbrigade die reageert op een crisis, maar als een preventieve strategie die betrekkingen opbouwt waardoor gemeenschappen niet in een spiraal van wantrouwen en verdachtmaking terecht komen.
Conflicten maken het nieuws, niet de afwezigheid van conflicten, terwijl toch de afwezigheid van conflicten het echte goede nieuws is. En als er zich een conflict heeft voorgedaan, dan is het nodig dat er een zuivering wordt tot stand gebracht van de herinneringen: luisteren naar de verschillende verslagen van eenzelfde gebeurtenis, aandacht besteden aan de feiten en de waarnemingen van beide zijden, en proberen te komen tot
een gemeenschappelijke opvatting. Als het verleden in alle eerlijkheid wordt onderzocht, zal meestal naar boven komen dat niet alles zwart-wit is. Aan beide zijden kunnen fouten
zijn gemaakt. In ieder geval is de erkenning van wat er fout ging en van de onrechtvaardigheden en gruweldaden een belangrijke stap in ieder verzoeningsproces. Interreligieuze dialoog moet leiden tot een zoeken naar onderling begrip, tot
een gedeelde sympathie voor degene die te lijden hebben, tot vergeving voor wat verkeerd werd gedaan, tegelijk moet ook het eigen tekortkomen onder ogen worden gezien en uitgesproken, zowel het individuele als het collectieve.
Dit zou de weg voor een dialoog tussen christenen en moslims werkelijk verder helpen.
Bron: http://www.deroerom.nl/pagina/1434/is_een_dialoog_tussen_christen_e 
Thomas Reese journalist bij de National Catholic Reporter

--------------------------------------------------------------

Uit Begrip 2/2013  Leerhuis

Onderstaand bezoek en toespraak van paus Franciscus laten zien waar zijn prioriteiten liggen in het begin van zijn pontificaat : bij de vele uitgebuite, vaak in zee verdronken Afrikaanse migranten.  Ook het tijdstip is belangrijk : 8 juli 2013, het begin van de Ramadan, expliciet vermeld.

De oproep tot meer soldariteit  gaat gepaard met een aanklacht tegen onverschilligheid en gebrek aan verantwoordelijkheid, niet alleen van regeringen, maar ook van ieder van ons.  Zijn uitleg van twee bijbelteksten is actueel en pregnant. Zijn voorbeelden getuigen van kennis van de literatuur (Manzoni, Lope de Vega).

Bezoek aan LAMPEDUSA

HOMÉLIE VAN PAUS FRANCISCUS

paus-franciscus.large.jpg

Sportterrein  "Arena"
Maandag, 8 juli 2013

 Migranten, in zee gestorven, in boten die geen weg naar de toekomst waren maar een weg naar de dood. Zo luidden de titels in de kranten. Toen ik enkele weken geleden dit – helaas vaak herhaalde-  nieuws hoorde, moest ik er steeds aan terugdenken. Het was als een pijnlijke doorn in mijn hart. Ik voelde toen dat ik vandaag hier moest komen om te bidden, een teken van nabijheid te verrichten maar ook om onze gewetens wakker te schudden zodat wat gebeurd is zich niet meer herhaalt. Laat het a.u.b. niet meer gebeuren.

Allereerst wil ik mijn oprechte dank en bemoediging uitspreken aan jullie, inwoners van Lampedusa en Linosa, aan de verenigingen, de vrijwilligers, de veiligheidsdiensten, die aandacht hebben gegeven en nog steeds geven aan mensen op reis naar een betere bestemming. Jullie hebben slechts beperkte middelen maar jullie zijn een voorbeeld van solidariteit. Hartelijke dank. Mijn dank gaat ook uit naar aartsbisschop Mgr. Francesco Montenegro voor zijn hulp, zijn werk en zijn pastorale nabijheid. Ik richt een hartelijke groet aan de burgemeester, Mw. Giusi Nicolini. Hartelijke dank voor wat zij heeft gedaan en nog steeds doet.

In gedachte richt ik me tot de dierbare moslim migranten die vanavond de vasten van de Ramadan beginnen. Ik wens ze uitbundige geestelijke vruchten toe. De kerk staat dichtbij u in het zoeken naar een waardiger leven voor u en uw families.

Vanochtend wil ik in het licht van Gods Woord waarnaar wij hebben geluisterd, enkele gedachten presenteren die vooral het geweten van een ieder uitdagen, ons stimuleren om na te denken en concreet verandering te brengen in bepaalde attitudes.

« Adam, waar ben je » ? Dit is de eerste vraag die God stelt aan de mens na de zonde. « Adam, waar ben je ? ». Adam is een man die in de war is geraakt, zijn plaats in de schepping heeft verloren omdat hij machtig denkt te worden, alles denkt te kunnen overheersen, God denkt te zijn. En daardoor stokt de harmonie en dat zien we terug in de relatie met de ander, die niet meer de broer is om lief te hebben, maar gewoonweg de ander die mij en mijn welzijn stoort. En God stelt de tweede vraag: « Kaïn, waar is je broer ? »  De droom om macht te hebben, groot te zijn als God, of liever God zelf te zijn brengt een keten van fouten voort, een keten van dood, die leidt tot broedermoord.

Deze twee vragen die God stelt klinken ook vandaag nog steeds na, in alle hevigheid. Velen van ons, ikzelf inbegrepen, zijn in de war. We schenken geen aandacht meer aan de wereld waarin we leven. We verzorgen en kijken niet meer naar wat God voor ons allen heeft geschapen en we zijn niet meer in staat over onszelf en elkaar te waken. En als deze verwarring zich uitbreidt tot de hele wereld, gebeuren er tragedies zoals die waarvan we getuige zijn geweest.

« Waar is je broer ? », de stem van je broeders bloed roept tot mij, zegt God. Het is geen vraag aan anderen gesteld, de vraag wordt aan mij, aan jou, aan ieder van ons gesteld. Die broeders en zusters onder ons probeerden weg te komen uit moeilijke situaties om een klein beetje sereniteit, rust en vrede te vinden. Ze zochten een betere situatie voor zichzelf en hun gezinnen maar ze vonden de dood.  Hoe vaak vinden dit soort zoekers niet een gebrek aan begrip, solidariteit of worden ze niet ontvangen? En hun stemmen stijgen op naar God.

Nogmaals wil ik u, inwoners van Lampedusa, bedanken voor uw solidariteit. Onlangs heb ik geluisterd naar één van deze broeders. Voordat ze hier aankomen, moeten ze mensenhandelaars aanklampen die de armoede uitbuiten en voor wie de armoede van anderen een bron van inkomsten voor zichzelf wordt. Wat een lijden. Een aantal heeft zijn bestemming niet bereikt.

 « Waar is je broeder ? ». Wie is verantwoordelijk voor dit bloed? In de Spaanse literatuur bestaat een comedie van Lope de Vega, die verhaalt hoe de inwoners van de stad Fuente Ovejuna de gouverneur doodden omdat hij een tyran is. Ze doen het op een dergelijke wijze dat niemand weet wie hem heeft omgebracht. Als de rechter van de koning vraagt : « Wie heeft de gouverneur gedood ? », antwoorden ze allen : « Fuente Ovejuna, mijnheer. » Iedereen en niemand. Ook vandaag dringt zich deze dringende vraag op: Wie is verantwoordelijk voor het bloed van deze broeders en zusters ? Niemand. Wij antwoorden allemaal: « Ik niet, ik ben niet van hier. Het zijn anderen, zeker niet ik. » Maar God  vraagt aan ieder van ons : « Waar is het bloed van je broeder dat tot mij roept? 

Vandaag voelt niemand zich hiervoor verantwoordelijk. We zijn het gevoel voor broederlijke verantwoordelijkheid kwijt. We hebben het schijnheilige gedrag aangenomen van de priester en de bedienaar van het altaar (leviet) over wie Jezus sprak in zijn parabel van de Barmhartige Samaritaan. We bekijken de broeder die halfdood aan de kant van de weg ligt en denken misschien : «de arme man ! » en vervolgen onze weg. Wij gaan er niet over. Zo sussen we ons geweten en voelen we ons gerustgesteld.

De welzijnscultuur, waardoor we alleen aan onszelf denken, maakt ons ongevoelig voor de schreeuw om hulp van anderen.  Zo leven we in zeepbellen. Ze zijn misschien mooi maar ze stellen niets voor. Ze zijn de illusie van het futiele en voorbijgaande, een illusie die de onverschilligheid doorgeeft aan anderen. In deze wereld van mondialisering  hebben we de onverschilligheid gemondialiseerd. We zijn gewend geraakt aan het lijden van de ander, het gaat ons niet aan, het interesseert ons niet, het is niet onze business.

Hier komt ‘de  Ongenoemde’ terug uit de roman ‘De verloofden’ van Manzoni. De mondialisering van de onverschilligheid maakt van ons allen ‘ongenoemden’, verantwoordelijken zonder naam en zonder gezicht.

« Adam, waar ben je ? » Waar is je broeder » ?  Het zijn de twee vragen die God stelt aan het begin van de geschiedenis van de mensheid en die hij ook richt tot alle mensen van onze tijd, ook aan ons. Graag wil ik dat we ons nog een derde vraag stellen: «Wie van ons heeft gehuild om deze en dergelijke gebeurtenissen ? » «Wie heeft gehuild om deze mensen op de boot ?  Om de jonge moeders met hun kinderen ? Om deze mannen op zoek naar middelen om hun gezinnen te ondersteunen ? » 

Wij zijn een maatschappij die huilen niet meer kan ervaren evenmin als ‘lijden met’. De mondialisering van de onverschilligheid heeft gezorgd dat we niet meer kunnen huilen. In het evangelie hebben we geluisterd naar de schreeuw, het huilen, de lange weeklacht : « Rachel huilt om haar kinderen, omdat ze niet meer zijn. » Herodes heeft dood gezaaid om zijn eigen welzijn te verdedigen, zijn eigen zeepbel. En dit gaat nog steeds door.

Laten we de Heer vragen om uit te wissen wat van Herodes ook nog in ons hart is overgebleven. Laten we de Heer de genade vragen om te huilen om onze onverschilligheid, te huilen om de wreedheid in de wereld, in ons, en ook in diegenen die anoniem sociaal-economische beslissingen nemen die dergeljke drama’s mogelijk maken. « Wie heeft gehuild ? Wie heeft vandaag de dag  gehuild in de wereld ? »

Heer, tijdens deze liturgie, die een dienst van boetedoening is, vragen wij om vergeving voor de onverschilligheid tegenover onze broeders en zusters. Vader, wij vragen om vergeving voor wie zich tevreden stelt met en zich opsluit in zijn eigen welzijn waardoor zijn hart verdoofd wordt. Wij vragen vergeving voor degenen die door hun beslissingen op wereldniveau situaties hebben geschapen die leiden tot deze drama’s. Vergeef ons, heer.

Heer, laat ons vandaag jouw vragen horen : « Adam, waar ben je ? » « Waar is het bloed van je broeder ? »

(Vertaald uit het Frans door P. Reesink)



Uit Begrip 3-2012

“Dient God, mijn heer en jullie Heer”                 

E

en van de 99 schoonste namen is Ar-raqieb.    

Ds. Nienhuis schreef er de volgende meditatie bij.

Ar-raqieb, de Waakzame, de Hoeder, De in acht nemende  

In het begin van het Nieuwe Testament komen wij de verhalen tegen van de doop van Jezus door Johannes de Doper en direct daarop volgend de verzoeking van Jezus in de woestijn.

Net als Mozes en Elia verblijft Jezus veertig dagen in eenzaamheid. Als we het Mattheüs-evangelie volgen zien we dat Jezus drie maal verzocht wordt in deze periode. De verzoeker, de duivel, die komt met zijn vragen helemaal aan het eind van die periode, als zijn weerstand vrijwel gebroken is. De laatste verzoeking luidt zo: “De duivel nam hem (Jezus) naar een hoge berg en hij toonde hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid en zei: Dit alles zal ik u geven, indien gij u neerwerpt en mij aanbidt. Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Eeuwige, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”

Jezus citeert hier een Bijbeltekst, namelijk Deuteronomium 6:13. In uiterste aanvechting blijkt dit de samenvatting van Jezus geloof: Dient God alléén.

Ook in de Koran komen wij een dergelijke geloofssamenvatting van Jezus tegen. In Soera 5 aan het slot is het niet een mens, of de satan, die Jezus een vraag stelt over zijn geloof, maar is het God, die vraagt naar de kern van zijn geloof. “En toen God zei: O Isa (Jezus), zoon van Marjam (Maria), heb jij tot de mensen gezegd: Neemt mij en mijn moeder tot goden naast God? Isa zei: U zij geprezen! Het past mij niet iets te zeggen, waartoe ik geen recht heb. Als ik het gezegd zou hebben, dan zou U het geweten hebben. U weet wat in mijn binnenste is, maar ik weet niet wat in Uw binnenste is. U bent de kenner van de verborgenheden. Ik heb tot hen slechts gezegd wat U mij bevolen hebt: “Dient God, mijn Heer en jullie Heer” en ik was getuige van hen zolang ik bij hen was. En toen U mij weggenomen had was U de hoeder  (ar-raqieb) over hen.”

Jezus vat hier het geloof samen in de zin “Dient God, mijn Heer en jullie Heer”. Dit is voor de Koran, voor de moslim ook de kern van zijn geloof. Zowel Jezus als Mohammed willen uitdrukkelijk staan in de traditie van Mozes. En in deze samenvatting citeert Jezus in de Koran niet anders dan in het Evangelie hetzelfde vers uit Deuteronomium: “De eeuwige, uw God, zult gij vrezen en Hem zult gij dienen” (Deut. 6:13).

Om beter te voelen wat dit betekent luisteren we naar Soera 20: 94. In dat gedeelte heeft de broer van Mozes, de  priester Aäron (Haroen in de Koran), alle controle over de godsdienst verloren. Er wordt daar verteld van de afgoderij van het gouden kalf, dat de Israëlieten tijdens Mozes afwezigheid zich als god maakten. Tijdens Mozes’ veertigdaagse afwezigheid is zijn broer Aäron in charge. Hij dient ‘ar-raqieb’, de hoeder en bewaker van het volk te zijn. Als Mozes terugkeert komt Aäron naar Mozes toe en zegt: “Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard en bij mijn hoofd. Ik vreesde dat jij zou zeggen: Jij hebt de Israëlieten opgesplitst en niet in acht genomen (stam  r q b) wat ik zei.”

Dat zuivere geloof in God, en in God alléén, moet steeds weer, dag in dag uit behoed en bewaard worden. In het verhaal van het gouden kalf zien we hoe Mozes zijn broer Aäron bij de les moet houden. In het Nieuwe Testament zien we hoe Jezus de duivel weerstaat. De duivel belooft hem alle macht op aarde. Jezus moet alleen wel de duivel dienen. Jezus antwoordt : Ga weg satan. Ik dien God alléén.

De naam Ar-raqieb, Hoeder, Bewaarder voor God roept ons tot een gebed:

Behoed en bewaar ons voor de verzoeking en laat ons U alleen dienen.

Leerhuis 3 2011

Geplaatst in: Opinie  cf http://www.nieuwemoskee.nl/Featured/opinie/ juni 2011

Feestelijk tafelen   door Kamel Essabane                                                                             

O

, Jezus, zoon van Maria, is uw Heer bij machte, ons een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel neder te zenden?” Dat was de vraag die Jezus’ discipelen volgens de Koran – hoofdstuk ‘De Tafel’ (5:112-115) – eens stelden. Een opmerkelijke vraag. Jezus [‘Isa, vzmh] antwoordde allereerst afwijzend: “Vreest God, als jullie gelovigen zijn.”

De discipelen onthulden vervolgens de intentie achter hun vraag: “Wij verlangen zeer, er van te mogen eten zodat ons hart gerustgesteld moge worden en wij mogen weten dat jij de waarheid tot ons hebt gesproken en wij daarvan getuigen mogen zijn.”

Vervolgens ging Jezus alsnog in op hun verzoek en bad tot God: “O God, onze Heer, zend ons een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel neder, opdat het voor de eersten en de laatsten onzer een feest moge zijn en een teken van U en tot onderhoud van ons, want U bent de Beste der onderhouders.”

God beantwoordde het gebed: “Waarlijk, Ik zal haar (de tafel) tot u nederzenden, maar wie uwer nadien ondankbaar wordt, zal Ik straffen zoals Ik geen ander onder de volkeren gestraft heb.”

Dit miraculeuze verhaal over Jezus en de discipelen kan begrepen worden als een voorbeeld van Gods almacht, barmhartigheid en generositeit en een waarschuwing aan hen die Gods wonderen verloochenen en ondankbaar zijn. Sommigen zien in dit verhaal een verwijzing naar het bijbelse verhaal van de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van brood en vis door Jezus (Johannes 6:1-35). Een andere uitleg verbindt dit verhaal met het verhaal van het laatste avondmaal, op de avond voordat Jezus gevangen zou zijn genomen door de Romeinen. Weer een andere uitleg ziet een verwijzing naar het Onzevadergebed in de Bijbel: “Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.” (Mattheus 6: 11).*

Aangezien wij elke dag ‘brood’ of ‘met voedsel gedekte tafels’ nodig hebben, kan het verhaal ons inspireren om elke dag dankbaar voor ons voedsel te zijn. Immers, God doet ‘miraculeus’ elke dag met voedsel gedekte tafels ‘neerdalen’, voor de ogen die het willen zien. Door een verband te leggen tussen ons voedsel en de hemel, krijgt ons voedsel een heilig karakter. Verspilling en onjuist gebruik ervan is daarom een grote zonde (Koran 17: 26-27).

De moraal van het verhaal is volgens mij echter méér dan een les in dankbaarheid aan God voor onze gevulde magen. De discipelen vroegen volgens de Koran uitdrukkelijk om het neerdalen van een gedekte tafel uit de hemel ter geruststelling van hun harten, zodat zij van de waarheid van Jezus’ boodschap zouden kunnen getuigen. De ‘neerdalende gedekte tafel uit de hemel’ kan dan ook als spiritueel voedsel worden begrepen. Enigszins vergelijkbaar hiermee is het pinksterverhaal in de Bijbel. Daarbij daalde de Heilige Geest op de discipelen neer en vervulde hen, waarna zij in alle talen van de waarheid van het evangelie konden getuigen (Johannes 14:26, Handelingen 2:1-6).

Pinksteren wortelt historisch in het joodse Wekenfeest (Sjavoeot), waar de nadruk ligt op het herdenken van de gebeurtenis bij de Sinaï, toen God aan Mozes [Musa, vzmh] de goddelijke wet deed neerdalen op twee stenen tafelen.

Vóór de neerdaling van de stenen tafelen aan Mozes, deed God aan Mozes en de Israëlieten hemels voedsel (manna en kwartels) neerdalen, tijdens de barre tocht door de woestijn, na de exodus uit Egypte. Sommige ondankbare mensen onder zijn volk wilden toen deze hemelse lekkernij verruilen voor minderwaardig voedsel (Koran 2:61).

Het ontvangen van zowel fysiek als spiritueel ‘voedsel’ is daarom behalve een miraculeuze gunst ook een beproeving. De gunst – die magen of harten vult – dient behalve dankbaar te worden ontvangen ook met de medeschepselen te worden gedeeld, zodat deze in de geest van verbondenheid “voor de eersten en de laatsten onzer een feest moge zijn”. Voor ondankbaarheid en egoïsme is aan tafel geen plaats!

*Zie voor de Koranvertaling en commentaar bij koranverzen 5:112-115 The Message of the Quran (Muhammad Asad), The Holy Qur’an (Muhammad Ali) en De Jezusverzen in de Koran (Karel Steenbrink, p. 82-83).

Kamel Essabane is lid van de redactie van Nieuwemoskee

 

Samen op pad

In de namiddag van 9 februari wandelden religieuze leiders van de joodse, christelijke en islamitische gemeenschappen door Amsterdam-West.


Vanuit de Rooms-Katholieke Kerk was mgr. Van den Hende aanwezig.

In gezamenlijkheid hebben wij een dialoogwandeling gemaakt. Een wandeling? Op het eerste gehoor zou je zeggen: wandelen, wat is daar nu zo bijzonder aan? Wandelen is iets anders dan hard lopen, niet een kwestie van je zo snel mogelijk voortbewegen van punt a naar punt b. Vanmiddag hebben wij de wandeling verkozen om met elkaar in gesprek te gaan. En we hebben de mogelijkheid aangegrepen kort op bezoek te zijn in een moskee, een kerk en een synagoge.

Een wandeling om elkaar te ontmoeten en te leren kennen, om in gesprek te zijn met elkaar. Zo hebben we als joden, christenen en moslims samen de bouwstenen aangereikt voor een dialoog. Een dialoog is een uitwisseling en vraagt wederkerigheid: niet alleen spreken maar ook luisteren, niet alleen kijken maar ook zien. Een dialoog biedt de gelegenheid om enerzijds te getuigen van het eigen geloof (zo brengen christenen de persoon van Christus en zijn evangelie ter sprake) maar ook te horen wat de ander als overtuiging heeft.

De wandeling en de dialoog die wij vandaag houden (dialoogwandeling) veronderstelt het gegeven van vrijheid en godsdienstvrijheid. Vrijheid en vrijheid van godsdienst kunnen niet gezien worden als een soort van optie, in de zin van: het had er even zo goed niet kunnen zijn. Vrijheid heeft alles te maken met de waardigheid van iedere menselijke persoon, een waardigheid die je als mens niet kunt verliezen en die in de samenleving aan geen mens kan worden ontzegd.

Vrijheid en godsdienstvrijheid op basis van de waardigheid van de mens. Het is duidelijk dat vrijheid en godsdienstvrijheid niet op zichzelf staan. Daar hoort ook respect bij. Waardigheid vragen voor jezelf en je overtuiging dient verbonden te zijn met de waardigheid en de overtuiging van anderen te respecteren. De waardigheid die zo eigen is aan de mens, komt het beste tot uiting wanneer deze mens op zijn beurt de waardigheid van andere mensen respecteert en behoedt.

In het bijbelboek Genesis wordt gezegd: God heeft man en vrouw (iedere menselijke persoon dus) gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis (Gen. 1, 27).  Een mens als beeld van God is geroepen om ook de ander als beeld van God te erkennen. In dit licht is het mijn overtuiging dat de menselijke persoon zowel een religieuze als een sociale dimensie in zich heeft.

Joden, christenen en moslims belijden en beleven hun religieuze overtuiging niet los van hun maatschappelijke leven. Godsdienst staat niet buiten de samenleving maar behoort tot het publieke domein. Paus Benedictus benadrukte, in zijn boodschap op Wereldvrededag op 1 januari 2011, dat religieuze gemeenschappen door middel van verschillende charitatieve en culturele instellingen een onmiskenbare bijdrage leveren aan de maatschappij, sociaal en ook ethisch. Daarbij zij duidelijk gezegd dat de dimensie van het geloof op geen enkele manier diegenen mag discrimineren die haar geloofsopvattingen niet delen. Het is wezenlijk van belang om juist de sociale samenhang te versterken - op grond van de waardigheid van iedere mens- alsook integratie en solidariteit.[1]

Vrijheid van godsdienst neemt een bijzondere plaats in onder de grondrechten en vrijheden die voortkomen uit de waardigheid van de mens als persoon. Die godsdienstvrijheid is echter niet vanzelfsprekend. Paus Benedictus stelt in zijn boodschap op Wereldvrededag dat vrijheid en in het bijzonder godsdienstvrijheid bedreigd kan worden zowel door fanatisme als door relativering. D.w.z. enerzijds mag het belijden van een godsdienst niet met dwang worden opgelegd: ‘streven naar waarheid laat zich niet opleggen met geweld, maar alleen door de kracht van de waarheid zelf’[2] . Anderzijds is in een seculariserende samenleving regelmatig iets te bespeuren van een latent vooruitgangsgeloof, n.l. dat religie en geloof niet zou stroken met de moderne autonome mens en niet van deze tijd zou zijn. En dat religie zich het liefst niet zou moeten laten zien in uiterlijke tekenen.

Te midden van fanatisme enerzijds en relativering anderzijds die vrijheid en godsdienstvrijheid onder druk kunnen zetten, mogen wij als joden, christenen en moslims op deze middag in Amsterdam juist benadrukken dat vrijheid en godsdienstvrijheid in de samenleving van nu het noodzakelijke kader is om in dialoog te kunnen treden met elkaar en dat godsdienstvrijheid het grondbeginsel is voor een bijdrage vanuit religie aan de maatschappij waarin wij leven.

De weg van vrijheid en respect, de weg van godsdienstvrijheid die de fundamentele waardigheid van iedere mens als grondslag heeft, is ten diepste de weg naar vrede. Geroepen tot vrede, wil ik niet beweren dat wij als mensen die vrede geheel zelf kunnen maken en voltooien. Hoezeer ook de vrede bewerken een opgave betekent voor iedere mens, de vrede ten volle is ten diepste een gave van God.

Paus Benedictus spreekt in zijn boodschap over godsdienstvrijheid als authentiek vredeswapen. Dat is nodig want: ‘Vrede brengt de diepst verborgen talenten en mogelijkheden van de menselijke persoon tot volle vruchtbaarheid, talenten die de wereld kunnen veranderen en verbeteren. Zij geeft hoop op een toekomst van gerechtigheid en vrede, zelfs bij ernstige ongerechtigheid en materiële en morele armoede’.

Tot slot wil ik graag aan u allen mijn dank uitspreken dat we in vrijheid en respect in dialoog met elkaar op weg zijn gegaan deze middag. Dat is een kostbaar teken van onze innerlijke gezindheid en van ons staan in de samenleving van ons land. +J. van den Hende, bisschop, (namens de deelnemende christenen).



[1] Cfr. Paus Benedictus XVI, Boodschap bij de viering van Wereldvredesdag, 1 januari 2011, in: Kerkelijke documentatie (2011) 96-105.I

.

Karel Steenbrink

SOERA 71 IN VERSCHILLEND PERSPEKTIEF GELEZEN

 Zaterdag 21 augustus 2010 kwam de NOS met verschillende nieuws items over de overstromingen in Pakistan. Wilma van der Maten was bij de uitdeling van voedsel door de Laskar i Taiba. De leden van deze beweging komen wél voedsel uitdelen waar het Pakistaanse leger én de buitenlandse organisaties niet komen.

 Laskar i Taiba is wijd verspreid in Pakistan. Door de regering opgericht om het islamitisch en Pakistaans karakter van Kasjmir te versterken? Terroristische beweging?

Op het einde van de nieuws items was er een wrang fragment. Er werd gebeden: vernietig de zondaars. Beetje raar gebed, want wie schiet daar bij dat water mee op? Maar commentaar was: zo misbruikt de Laskar i Taiba deze ramp om de mensen voor hun harde boodschap te vinden. Niet ongewoon; ook Open Doors gebruikt de situatie om te wijzen op de ongelijke behandeling van de (kasteloze) christenen en wil extra geld voor hen.

 Toeval of niet? Vanmorgen was ik bezig met soera 71 over Noach en de laatste regel van het laatste vers luidt precies zo: Moge God de vijanden (van Noach) vernietigen. Inderdaad gaat het er bij het Noach-verhaal stevig aan toe bij de zondvloed! Baden die mensen hier dus ‘gewoon’ dat Noach-gebed en haalde Van der Maten er iets hards bij? Allahu a'lam bissawab: laat God dat maar uitmaken.

 Hierbij toch even mijn bewerking van de vertaling van soera 71, beetje op rijm. Het Noach-verhaal dus, maar wel geactualiseerd naar het Mekka van Mohammed.

 Soera 71 NUH

In de naam van God, Erbarmen, Barmhartigheid

 1 Wij zonden Noach tot zijn volk:

‘Waarschuw je volk voordat hen een pijnlijke straf  bereikt.’

2 Hij zei: ‘Mensen, ik geef jullie een waarschuwing, duidelijk.

3 Dient God, vreest Hem, geef mij mijn gelijk.

4 Dan zal Hij u uw zonden vergeven en u uitstel laten tot een vastgestelde tijd. Gods tijd, als hij   komt, verschuift niet meer. Dat het jullie blijkt!’

5 Hij zei: ‘Mijn Heer, ik heb mijn volk opgeroepen, dagelijks.

6 Maar mijn roepen heeft hen weg doen gaan, buiten mijn bereik.

7 En als ik hen oproep dat Gij hen kon vergeven, stoppen zij hun vingers in hun oren en bedekken zij zich met hun kleren en volharden zij in hoogmoed grotelijks.

8 En dan heb ik hen geroepen  met luide stem en duidelijk

9 en dan heb ik tot hen gesproken openlijk en ook wel vertrouwelijk.

10 Zo heb ik gezegd: Vraagt uw Heer om vergeving, Hij scheldt uw schulden  kwijt.

11 Hij zal regen op u storten, rijkelijk.

12 Hij zal u bezittingen en zonen geven

   en Hij zal u grond geven en stuurt rivieren wijd.

13 Wat is er met jullie dat jullie niet durven hopen op Gods mildheid?

14 Hij heeft u toch geschapen in grote variëteit.

15 Zie je niet hoe God de zeven hemelen heeft gespreid?

16 En hoe Hij de maan in hen heeft geplaatst

     tot een licht en de zon, bron van helderheid?

17 En God heeft u geplant uit aarde, groeizaamheid.

18 Daarna zal Hij u in haar doen terugkeren en u uithalen, uitgereikt.

19 God heeft voor u de aarde gemaakt tot een tapijt

20 om te wandelen op brede paden, wijd.’

21 Nuh zei: ‘Mijn Heer, zij beledigen mij en zij volgen mensen wier bezit en kinderen niets brengen dan treurigheid.

22 Maar zij beraamden gewelddadigheid,

23 en zij zeiden: “Niemand zal verlaten uw goden, noch Wadd, Suwā‘, noch  Yaghūth en Ya’ūq en   Nasr overlaten aan vergetelheid.”

24 En zij brachten velen in verwarring. Jullie brengen alleen maar groter onduidelijkheid.

25 Zij verdronken, kwamen in het vuur door hun zondigheid.     Niet vonden zij voor zich hulp buiten de Godheid.’

26 En Nuh zei: ‘Mijn Heer spaar op de aarde van de ongelovigen geen enkele entiteit.

27 Indien u hen spaart brengen zij uw dienaren tot richtingloosheid.

    Zij kunnen niets anders voortbrengen dan doem en ongelovigheid.

28 Mijn Heer vergeef mij en mijn ouders en wie als gelovige mijn huis binnentreedt en de gelovige     mannen en vrouwen. Breng de zondaars niet dan vergetelheid.’

 Nog eens de tekst in zijn geheel lezend is het eigenlijk een prachtige actualisering van het Noach-verhaal. Dit is wel het verhaal van Noach maar voor heel veel mensen ook het verhaal van de profeet Mohammed die in Mekka voornamelijk tegenstanders had, die hem uitlachten, met hem debatteerden en ook wel enge dingen toewensten. Noach preekt dat de mensen zich moeten bekeren. Dan zullen zij ook beloond worden met: regen in overvloed, water!  Op het eerste gezicht een beetje eigenaardige beloning in een verhaal over zondvloed. Dat is natuurlijk toch wel iets voor Mekka, iets wat je in de woestijn wel wil hebben naast bezittingen, zonen en grond (vers 12-14). De vijf afgoden die hier alleen genoemd worden in de Koran zijn voor een deel bekend uit opgravingen in Jemen, waar een enkele rond 200 v. Chr. al in een inscriptie voorkomt, maar de meesten zijn verder onbekend gebleven.

In dat slotgebed wordt om vergeving gebeden, met een laatste zin, toch nog even de vervloeking van de vijanden, zoals we ook in de psalmen vaak tegenkomen en ook in het Nieuwe Testament (vooral boek van Openbaring, dat druipt van bloed van vijanden). Het blijft toch af en toe wat griezelen met die religieuze teksten, hoe mooi aanpassingen van oude verhalen het ook kunnen zijn.                             

 

   Nuh (Noach) in de ark

   In Zubdat al-tawarikh, Turks, 16e eeuw

Leerhuis jrg. 32 nr. 2 (2010)

De ontmoeting met Soumia Lamri                                                                       F. Comminardi

 Francois Comminardi, witte pater te Ain Sefra op de Algerijnse hoogvlakten, beschouwt de ontmoeting met Soumia Lamri als de grootste genade die hij in zijn leven mocht ontvangen. Soumia Lamri, een meisje van nauwelijks 17 jaar, is in 1999 aan kanker overleden. Hier volgt het getuigenis van F. Comminardi.

Een christen kan op meerdere manieren de islam en de moslims tegemoet treden. Sommigen hebben een houding van angst en weigeren elk contact.

Anderen nemen een polemische houding aan.

Weer anderen houden een zekere afstand tot de islam maar blijven toch in dialoog met moslims.

Nog weer anderen zijn onverschillig. Ze zijn niet vóór en niet tegen. Ze leren met hen om te gaan op voorwaarde dat dit niet te veel van hen vraagt. En als het fundamentalisme de kop opsteekt en kwaadaardig wordt, gaan ze weg uit angst of kruipen ze in hun schulp totdat het onweer voorbij is. De meesten van ons, priesters en vrouwelijke religieuzen die in Algerije gebleven zijn, zijn allen min of meer bedreigd geweest. We hebben niet gedaan alsof dit niet belangrijk was. Ons antwoord was voorzichtigheid maar tegelijkertijd solidariteit met onze Algerijnse vrienden, die evenzeer bedreigd werden als wij. We hebben ons werk voortgezet in de wetenschap dat er een risico aan verbonden was.

Wat maakt de wederzijdse verhoudingen tussen christenen en moslims in Ain Sefra zo bijzonder? Sinds de komst van de Witte Paters in 1924 is er een lange weg geweest van samen optrekken.

Toen ik in 1962 in Ain Sefra aankwam, heb ik gekozen voor de armen en de vrouwen. De vrouwen zijn immers de echte armen in dit land, vernederd, levenslang minderjarig en niet meetellend. Jarenlang heb ik alles gedeeld met een bevriende familie van zes jongens en vier meisjes en dit heeft mijn mening alleen maar bevestigd.

Deze houding heb ik concreet kunnen maken met de oprichting van werkplaatsen voor handwerksnijverheid, zoals vlechtwerk en weven, samen met de organisatie Caritas. Ook hebben we rondtrekkende nomaden geholpen met het opzetten van een kleine veestapel. We hebben waterputten geslagen in Ain Zour voor de irrigatie van de groentetuinen en om de dieren te laten drinken. We hebben centra ontwikkeld voor moeder en kind en naai-ateliers opgericht.

Tijdens mijn veldonderzoek (voorhistorische tekeningen, geologie, ecologie) heb ik het leven gedeeld met nomaden, water gehaald met vrouwen, en mijn belangstelling getoond voor de harde wereld van de vrouw met al haar taken maar ook haar liederen.

We hebben lezingen gehouden voor de meisjes in de lycea, in de pabo’s en in de jongerenclubs. We hebben meisjes en vrouwen de mogelijkheid gegeven om via een brochure Vrije uiting van vrouwen hun gedichten te publiceren die lagen te slapen in hun laden.

Niets van dit alles wil ik verloochenen maar het heeft me ontvankelijk gemaakt om de grootste genade van mijn leven te ontvangen: mijn ontmoeting met Soumia Lamri, een meisje met kanker dat ik tot haar einde heb begeleid en die mij heeft ‘bekeerd’. De ontdekking van haar prachtige gedichten was voor mij een keerpunt in mijn leven.

Als bezielende kracht van jongeren in Ain Sefra en elders is zij het zuurdesem in het deeg geworden tijdens mijn afwezigheid, die bijna een jaar heeft geduurd. Zij hebben het werk van ziekenbezoek voortgezet. Ik beschouw het als mijn plicht om deze moslim jongere bredere bekendheid te geven door haar gedichten te publiceren.

In 1999 had Soumia al 3 jaar gevochten tegen botkanker. Ondanks drie operaties wordt het kwaad alleen maar erger. Ze weet dat het niet lang meer zal duren maar ze is bang voor de pijn. Ze gaat naar het ziekenhuis waar ze goed en liefdevol wordt verzorgd door een medisch team, dat haar moed en geloof bewondert en haar pijn zoveel mogelijk beperkt. Als het iets beter gaat, wil ze naar muziek luisteren, Hayat lezen, kruiswoorden maken, tv kijken. Soms ligt ze ineengekrompen van de pijn en schreeuwt ze het uit. Maag, lever en longen zijn aangetast, het kwaad zit overal. Op zekere morgen vind ik haar in belabberde toestand. Ze voelt dat ze gaat sterven. Met al haar kracht probeert ze de geloofsbelijdenis uit te spreken maar geen woord komt over haar lippen. Haar ogen, plechtig en in uiterste concentratie, zijn naar boven gericht. Ik houd haar hand vast om met haar mee te bidden : « Soumia, God, de Barmhartige, vol tederheid, wacht op je. Hij staat klaar om je te ontvangen».

Op 2 maart 1999 is ze naar haar Schepper vertrokken. Een indrukwekkende menigte is aanwezig bij haar begrafenis.

Een week later vertrouwt haar moeder me drie gedichten toe, die ze geschreven had toen ze zich al opgegeven wist. Het zijn gedichten die haar geestelijke ontwikkeling laten zien. Misschien heeft ze deze gedichten aan anderen laten zien zoals aan een van haar artsen, die schrijft:

“In de naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle

Aan Soumia.

Wanhoop je en geloof je niet in Gods barmhartigheid? Alles wat van God komt, is genade, zelfs als het ziekte of lijden is. Wij mensen zien en weten niets van het wezen der dingen en wat de Schepper ermee wil. Loof God omdat hij voor elk kwaad een geneesmiddel heeft. Wat jij in je beproeving hebt geleerd, neemt voor anderen jaren van hun leven in beslag om het te begrijpen. “Het kan zijn dat jullie iets niet graag hebben, terwijl het toch voor jullie een goed is” . Probeer dus een zin te zoeken voor je beproeving. Want in het lijden is barmhartigheid en je zult er Gods wijsheid vinden, geduld en genezing, als God het wil.

Met hartelijke groet, je dokter.”

De sporen van tranen op deze brief laten zien dat deze woorden op Soumia een diepe indruk hebben gemaakt. Misschien ziet ze weer hoop vanaf dit moment. In een van haar gedichten schrijft ze: “Jij bent o Heer, onze herder, onze weldoener die doet leven en sterven.”

“God heeft me voldoende geloof gegeven. Welkom, dood, ik ben niet bang van jou, maar van de ontmoeting met mijn Heer.”

Soumia, we zullen de herinnering bewaren aan je gepijnigde glimlach tijdens je beproeving en aan je oplichtend geloof. Mogen de gedichten die je ons hebt nagelaten ons helpen om met meer moed in het leven te staan. Het is immers waar dat zij die sterven, ons leren om te leven.

Francois Comminardi is zelf aan kanker overleden 30 april 2005 in Frankrijk.

cominardi.large.jpg