Begripmoslimschristenen.jouwweb.nl
Home » Boeken

 

Anton Wessels, The Grand Finale. The Apocalypse in the Tanakh, the Gospel, and the Qur’an, Translated by Henry Jansen and Lucy Hofland, Wipf & Stock, Eugene, Oregon, 2020, 321 pp. Paperback $ 35 E-book $ 9.99 This English version is dedicated to professor Saeid Edalatnejad of the Encyclopaedia Islamica Foundation in Teheran.

Originele Nederlandse versie: De Grande Finale, De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran, Anton Wessels, uitg. Aspekt, 2020, ISBN 978-94-6338-892-4

Dit is het laatste boek in een trilogie. Het eerste was Thora, Evangelie en Koran, drie boeken, twee steden, een verhaal. Het  tweede , joden, christenen en moslims als medereizigers. Het derde De Grande Finale, De Apocalyps in de Tenach, het Evangelie en de Koran completeert de serie.                      

De auteur

Anton Wessels (1937), protestantse remonstrantse predikant, studeerde theologie, islam en Arabisch aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, de Universiteit van Utrecht, Leiden en de Universiteit van Caïro (Egypte). Zijn proefschrift ging over het beeld van de profeet Mohammed in de moderne Arabische literatuur (1972). Hij was universitair hoofddocent 1971-1978 voor de betrekkingen tussen de islam en het christendom in Beiroet aan de Theological College, Libanon. Van 1978 tot 2003 was hij hoogleraar aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit van Amsterdam op het gebied van relaties tussen culturen - ook niet-westerse - en op het gebied van godsdienstwetenschappen. Zijn interesse in kunst komt tot uiting in publicaties over Marc Chagall en Van Gogh.       

 

Het boek                                                        

Het is een boek voor doorgewinterde geleerden die niet bang zijn om er lang over te doen om het te lezen. Een paar cijfers om het enorme werk te laten zien dat aan de publicatie vooraf moet zijn gegaan: de bibliografie telt 310 vermeldingen, de Bijbel wordt 1217 maal geciteerd, terwijl verwijzingen naar de Koran 249 verzen (âyât) betreffen. De alfabetische index telt 17 pagina's.

De titel

 De titel van het boek zou kunnen misleiden. Het boek bevat verschillende thema's. Dit zijn de belangrijkste (zonder hiërarchie of volgorde).

- 1 De drie geschriften, het Oude Testament, het Nieuwe Testament en de Koran vormen één verhaal.                       

- 2 Openbaring is geen eenmalige eindtijdgebeurtenis die de wereld vernietigt. 

- 3 De laatste dag is nabij: dit geldt voor alle tijden. Het is een wake-up call.

- 4 Potentaten en despoten zullen omkomen. Het koninkrijk van God zal gevestigd worden.

- 5 Veel boeken in de Bijbel hebben een politieke dimensie.

- 6 De historische en geopolitieke gegevens van de geschiedenis vormen een onmisbaar hulpmiddel om de Bijbel te begrijpen.

- 7 Schepping en het einde der tijden zijn geen chronologische realiteiten en moeten met elkaar in verband worden       gebracht.

- 8 De God van Tenach en de God van de Koran zijn niet onverenigbaar met de God van het Evangelie.

- 9 Geweld in de Bijbel is vaak metaforisch. Het is niet aan mensen om wraak te nemen of te straffen, het is aan God.

- 10 De Bijbel legt zichzelf uit: het boek is een schat aan intertekstuele exegese.

- 11 Bijbel en Koran zijn vaak concordant

 

Deze lijst is niet uitputtend. Sommige thema's, bijvoorbeeld 1, 4, 5, 6, 10 en 11 komen door het hele boek voor. Andere (of dezelfde) worden explicieter behandeld. Dus 2,3,7,8 en 9 zijn meer expliciet behandeld in hoofdstuk VIII. Thema 5 komt heel duidelijk naar voren in de hoofdstukken V en VI.

 

Een coherent verhaal

In een eerder boek heeft de auteur uitgelegd wat hij bedoelt met een samenhangend verhaal in de Bijbel en de Koran. In het Oude Testament is het de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de slavernij. In het Nieuwe Testament is dit de boodschap bij de Transfiguratie op de berg. Lukas 9: 30-31: Mozes en Elia, die in heerlijkheid verschijnen en over het vertrek van Jezus spreken, een vertrek dat hij in  Jeruzalem zal volbrengen: Jezus leidt de uittocht, d.w.z. de bevrijding van onderdrukking, opgelegd door de Romeinen (Herodes, Pilatus). In de Koran leidt Mohammed de uittocht (hijra, emigratie) van Mekka naar Medina om te ontsnappen aan het onrecht en de onderdrukking van Mekkaanse tegenstanders. Christenen, joden en moslims zijn reisgenoten. Maar om samen verder te gaan, moeten we de taal van de Schrift begrijpen. Dit is de taal van psalm 85:10 Vriendelijkheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede omarmen elkaar. "Voor de drie boeken" is dit het goede nieuws.

Voortgang via associatie

De auteur benadrukt de gelijkenis van de apocalyptische teksten in de Tenach, het evangelie en de Koran. Maar voordat hij de teksten benadert, schetst hij vaak een beeld van de historische en geopolitieke achtergrond van de in de teksten genoemde periode. De uitwerking ervan lijkt vaak op Russische matroesjka's, dat wil zeggen poppen die een reeks andere, kleinere poppen bevatten. Als hij praat over de beweging van gelovigen (mu'minûn), die nog geen moslims (muslimûn) worden genoemd, vergelijkt hij dit met begin van het jodendom en het christendom. Je zou kunnen zeggen: Abraham was geen Jood, Jezus was  geen christen en Mohammed was geen moslim. Wessels gaat dan over tot jihad, de slag bij Badr en de psalmen over koningen. Deze psalmen over koningen herinneren aan het boek Daniël en de aankondiging aan Maria van een zoon, die een eeuwige koning zal zijn. De auteur vervolgt zijn weg via associatie.

 

Nog een voorbeeld van omtrekkende bewegingen: Wanneer de auteur Ezechiëls reis naar de tempel in Jeruzalem beschrijft tijdens een visioen, legt hij het verschil uit tussen mihrâb (tempel) en masjid (moskee). Het doet hem denken aan Koran 21: 38, de verwijten van de profeet Nathan aan David (2 Sam. 12: 7), die het bevel had gegeven om Uria te laten sterven. Dan komt een passage over de nieuwe tempel (Ez. 43-46) en de richting van het gebed bij moslims (qibla) om verder te gaan met een gebed van Salomo (1 Koningen: 44,45, 48). Dit doet weer denken aan de gebedsrichting naar Jeruzalem die Daniël neemt, wat resulteert in een citaat uit Psalm 137: 5, 6.

Dit alles naar aanleiding van het woord "tempel". Het is een associatieve verwevenheid die de drie Schriftteksten met elkaar verbindt.

Beschreven perioden

De acht hoofdstukken beschrijven niet allemaal specifieke perioden

Hoofdstuk I , Mohammed gezonden naar het volk, behandelt het begin van de islam, d.w.z. eind 6e en begin 7e eeuw na Christus. De auteur lijkt de theorie van Fred Donners van de ‘gemeenschap van gelovigen’ te onderschrijven . De prediking van Mohammed in Mekka (610-622) en in Medina (622-632) heeft tot doel een gemeenschap van gelovigen (mu'minûn) bijeen te brengen met inbegrip van allen die de Ene God aanbidden, dus in theorie ook christenen en joden.

 

Hoofdstuk II, de apocalyptische zevende eeuw, beschrijft de val van Jeruzalem veroorzaakt door de Perzen (614 vóór Christus), stad heroverd door Heraclius in 630 vóór Christus. Joden, christenen en moslims beleven apocalyptische tijden.

 

Met hoofdstuk III slaat de auteur 9 eeuwen over om stil te staan ​​bij Luthers apocalyptische visie op zijn tijd (16e  eeuw). De Turkse dreiging nadert Zuidoost-Europa. Luther ziet satan in de Turken en in de paus.

 

Hoofdstuk IV, Ezechiël: God en de mens, God en Gog, probeert Gog en Magog te identificeren (Ez. 38 en 39) in de drie boeken. Wie zijn Gog en Magog? Na uitleg van de context in Bijbel en Koran besluit de auteur: 'Gog en Magog zijn geen personages die op een dag, aan het einde der tijden, zullen opstaan. Ze verschijnen voortdurend door de geschiedenis heen omdat God Zijn oordeel aan allen  voltrekt die niet volgens de Thora leven. Maar Hij richt zich niet alleen tot de joden, Zijn oordeel strekt zich ook uit tot alle naties van de wereld. Vroeger en evenzeer nu. Het is een profetische visie, en een profetische visie van de geschiedenis in de apocalyptische zin van het woord: het onthult ons de geschiedenis, wat er steeds weer gebeurt door de geschiedenis heen, tot op het heden...'

 

Hoofdstuk V, Het boek Daniël: de brandende Schrift van de Heilige God, hoewel geschreven in de 2e eeuw voor Christus presenteert twee belangrijke figuren: Alexander de Grote (4e eeuw voor Christus) en Antiochus Epiphanes (2e eeuw voor Christus). Het boek Daniël staat in de Septuaginta niet aan het einde, zoals de auteur zegt, maar na de grote profeten en vóór de kleine profeten. In de indeling van de joodse Tenach, verdeeld in drie delen (de Thora, de profeten en de geschriften (khetoevim), wordt het boek Daniël onder de geschriften gerangschikt, misschien omdat het aantal van 12 profeten was bereikt en/of vanwege de late samenstelling. Het boek beschrijft gebeurtenissen post factum. Dit is waarschijnlijk het meest apocalypische boek van de Tenach.

 

Hoofdstuk VI, Jezus en de Apocalyps, beslaat verschillende eeuwen tot aan de Middeleeuwen. Vooral Constantijn de Grote en zijn opvolgers worden zwaar bekritiseerd vanwege hun rol in het samenbrengen van religie en staat.

Christelijke keizers worden opvolgers van Romeinse keizers en geen discipelen van Christus. Vanaf Constantijn zal het christendom in verband worden gebracht met oorlogen en geweld. Het evangelie van Marcus wordt gepresenteerd als (Marc. 1: 1) 'begin van het evangelie van Jezus Christus, (zoon van God). "Evangelie" betekende voor de Romeinen "goed nieuws" vanwege een militaire overwinning. Marcus kondigt een andere overwinning aan. De titel alleen al is revolutionair en politiek. De auteur ontdekt drie apocalyptische momenten in Marcus. De twee verhalen over het meer van Galilea brengen de geschiedenis in herinnering van Jona en de uittocht. De duidelijkste en langste apocalyptische passage is te vinden in Marcus 13: 1-27.

 

Hoofdstuk VII Paulus gaat naar de uiteinden van de aarde  

In zijn eerste visioen, meestal ten onrechte zijn bekering genoemd, wordt Paulus geroepen om apostel te zijn, om naar de uiteinden van de aarde te gaan. Handelingen 26: 16-18 'Maar kom nu overeind, sta op, want ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar, opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien en zult getuigen van alles wat ik je nog zal laten zien.17  Ik zal je daarbij beschermen tegen je eigen volk en tegen de heidenen, naar wie ik je uitzend 18  om hun de ogen te openen, zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren, en van de macht van Satan naar God’.  Volgens Wessels vervolgt Paulus de christenen niet vanwege zijn ijver voor de wet, maar omdat hij voor het Joodse volk vreest, dat bedreigd wordt door de Romeinen. Paulus, gedreven door zijn zendingsijver, is van plan om naar Tarsis in Spanje te gaan, dat destijds als de westelijke grens van de bekende wereld werd beschouwd. Hij denkt dat zijn verblijf in Rome slechts een tijdelijke stop is.

 

Hoofdstuk VIII de eerste en laatste dingen: het einde van geweld

Praten over apocalyptische tijden, wanneer er geweld en oorlogen zijn, wordt vaak in verband gebracht met het einde van de wereld. De Bijbel en de Koran roepen nooit op tot gewelddadige actie om het einde van de wereld te bespoedigen. Het is God die het einde van de wereld bepaalt en veroorzaakt. De laatste dingen moeten worden gezien in verband met de eerste dingen, maar niet in chronologische zin. Het begin van de Bijbel beschrijft niet hoe alles is begonnen, maar met welk doel het allemaal begon. Wessels besteedt zeven pagina's aan het bewijs dat de God van wraak niet een God van vergelding betekent en zijn wraak is niet tegenstrijdig met zijn genade. Inderdaad, de wortel in het Hebreeuws n q m heeft een bredere betekenis: "boos zijn", gewelddadig, jaloers zijn " , “wraak nemen" en in het Arabisch kan dezelfde wortel "straffen, wraak nemen" betekenen.(Lexicon van Davidson, opmerking van de redactie). Het is dus geen willekeurige wraak, maar eerder een rechtvaardige vergelding om te corrigeren, iets recht te zetten.

 

Het belang van historische en geopolitieke gegevens                     

Neem bij ​​voorbeeld het evangelie van Marcus 5: 2-14. Jezus is in de regio van Gadara, stad vernietigd door Romeinse soldaten, die duizenden mensen hadden gedood. Jezus ontmoet een demonische man die uit graven tevoorschijn komt, Legio genaamd. Deze regio van Gadara was "bezocht" door het 10e Romeinse legioen dat in zijn wapen de afbeelding van een varken droeg. Jezus stuurt de onreine geesten in de kudde varkens, die zich in het meer werpen. Het legioen onreine varkens vernietigt zichzelf. De vernietiging van het Romeinse leger is het goede nieuws. Dat is dus een verhaal met een politieke boodschap dankzij de symbolen 'legioen' en 'varken'.

Een ander voorbeeld van het belang van geschiedenis is te vinden in hoofdstuk V van het boek Daniël. Een van de opvolgers van Alexander de Grote is Antiochius Epiphanus, die geloofde dat hij gelijk was aan God. Hij wilde het jodendom afschaffen en installeerde het standbeeld van Zeus in de tempel van Jeruzalem. De schadelijke effecten van zijn gedrag worden beschreven in het boek Daniël en in de boeken 1 en 2 van de Makkabeeën.

 

Deze kennis van de geschiedenis is nuttig om het verschil te begrijpen tussen het boek Daniël en de 2 boeken van de Makkabeeën (deuterocanonieken).  Het eerste boek wil vreedzaam zijn omdat de persoon van Daniël en het boek Daniël niet pleiten voor geweld tegen dictators, terwijl de boeken van de Makkabeeën een gewelddadige opstand tegen de Romeinen beschrijven, opstand die leidt tot succes, omdat Judas de Makkabeeër een dynastie sticht. Maar het hele boek van Wessels bewijst dat geweld tegen machtsmisbruikers in de Bijbel niet past. God zelf zal zorgen dat het geweld verdwijnt. (Ezechiël 38:18-23).

 

Vergelijkingen                                                                                                                               

Slechts een klein ‘overblijfsel’ zal gespaard worden en na de ballingschap terugkeren naar Israël. Deze ‘rest’, zegt de auteur, doet denken aan ‘het volk van Mozes' in de Koran. Dit arme kleine overblijfsel zal in Micha een machtige natie worden. Dit trouwe overblijfsel zal overleven. Hetzelfde goede nieuws zal ook door Mohammed worden gepredikt.

Mohammed, Paulus en Jezus zijn volgens Wessels allen apostelen, gezanten. Net als Paulus wordt Mohammed naar de hele mensheid gestuurd als een barmhartigheid, een genade. Beiden worden gezonden naar de uiteinden der aarde met een missie voor alle mensen.                                                       

Soms lijkt de vergelijking onwaarschijnlijk. Bijvoorbeeld: Ezechiël reist tijdens een visioen van Babel naar de tempel in Jeruzalem om de komende schade en vernietiging te zien. Wessels vergelijkt dit met Mohammeds nachtelijke reis (Kor. 17: 1) naar Jeruzalem en zijn hemelvaart. Zeker, het gaat om twee visionaire reizen naar hetzelfde geografische doel, maar daar houdt de vergelijking mee op. In de moslimtraditie gaat  Mohammed door de zeven hemelen heen om voor het aangezicht van God te eindigen. Ezechiël ziet slechts een stad in puin. 

 

Discussiepunten

In de theorie van de ‘gemeenschap van gelovigen’ in Mekka en Medina (hoofdstuk I) benadrukt de auteur de gemeenschappelijke punten tussen christenen, joden en volgelingen van de nieuwe beweging, zoals de nabijheid van de Laatste Dag, de Dag des Oordeels, God als de koning der koningen. Maar in Mekka waren er geen Christenen en in Medina brak Mohammed heel duidelijk met de drie Joodse stammen omdat zij zich niet herkenden in zijn prediking. Bovendien werden er nieuwe praktische regels ingevoerd voor het organiseren van de gemeenschap (gebedsrichting, vasten, gebeden) en deze waren anders dan die van de Joden. Sommigen beweren dat de drie Joodse stammen, die overigens niet in de Koran worden genoemd, mogelijk zijn "uitgevonden" om de haat tussen joden en moslims te verklaren. Het is waar dat de stammen nergens genoemd worden behalve door Ibn Ishaaq (de biograaf van de Profeet). Maar volgens de moslimtraditie lijken de betrekkingen zodanig te zijn verslechterd dat een gemeenschap van gelovigen, vooral in Medina, nauwelijks denkbaar is.

 

In hoofdstuk VI becommentarieert de auteur de twee gebeurtenissen waarin Jezus zich op het meer van Galilea bevindt. Lopen op het water betekent dat Jezus de machten van het kwaad domineert. Maar de auteur gaat verder door "Myers, Binding the storm" te volgen: "Jezus doorbreekt onrechtvaardige sociale en economische barrières. Hij wil sociale en politieke solidariteit tussen mensen bereiken. Is dat niet de symboliek te ver doorvoeren?

 

In hoofdstuk VII wordt Paulus na verschillende tegenslagen gevonden in de regio van Troje. Hij bereidt zich voor om Klein-Azië (het huidige Turkije) te verlaten. Troje is bekend door de Trojaanse oorlog, verteld door Homerus, tussen de Trojanen en de Grieken. De Grieken hadden de stad verwoest. Dit is ook het startpunt van de reeks succesvolle veldslagen van Alexander de Grote. Volgens de auteur is Paul op de hoogte van dit alles. In Handelingen 16:9 lezen we:’ Daar kreeg Paulus ‘s nachts een visioen, waarin een man uit Macedonië hem toeriep: ‘Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp!’ Wie is deze man? Wessels denkt aan Alexander de Grote. Hij maakte de oversteek op dezelfde plaats, het symbool van Griekse overwinningen. Hij veroverde de wereld in de 4e eeuw voor Christus zoals de Romeinen dat later zouden doen.                                                                                                                  Alexander de Grote en keizer Augustus worden als goden beschouwd vanwege hun verovering van de wereld in hun tijd. Paulus volgt het tegenovergestelde pad. Het is de weg van het kruis die hem naar Rome zal leiden, naar zijn dood. Maar dit is tevens het begin van de kerstening van Europa. Mooi contrast en geweldig thema voor een preek, maar herinnerde Paulus zich dat hele verhaal? 

 

Wie start en wie eindigt het geweld? God of de gelovigen ?

In hoofdstuk VIII zagen we dat geweld en oorlogen in de apocalyptische teksten vaak worden voorgesteld als verband houdend met het einde van de wereld. De Bijbel en de Koran roepen nooit op tot gewelddadige actie om het einde van de wereld te bespoedigen. Het is God die het einde van de wereld bepaalt en veroorzaakt. Hij is het die de geschiedenis controleert. De auteur worstelt zichtbaar met het verklaren van het kwaad, het geweld en de gruweldaden in de wereld in de apocalyptische teksten. Maar waar komt dit kwaad vandaan? Is dit de wraakzuchtige God die handelt of kunnen de gelovigen, de rechtvaardigen, de wapens opnemen tegen de goddelozen? Om te bewijzen dat alleen aan God de vergelding toekomt, maakt Wessels gebruik van een originele uitleg van het einde van psalm 149 : ‘Laten zijn getrouwen juichen in triomf, nog jubelen als zij te ruste gaan, 6 met lofzang voor God uit hun kelen, een tweesnijdend zwaard in hun hand. 7  De volken laten boeten, de naties bestraffen, 8  hun koningen in boeien slaan, hun leiders met ketenen binden, 9  het geschreven recht aan hen voltrekken: dat is de glorie voor al zijn getrouwen. Halleluja! (NBV).   De NBG vertaalt vers 6: De lofverheffingen Gods zijn in hun keel, een tweesnijdend zwaard is in hun hand,…’

 

Deze Psalm 149 moet gelezen worden zoals het lied van Judith (16:13-17) of van Mozes (Ex. 15: 1-18) of Deborah. W. Brueggemann suggereert een actieve rol voor Israël bij het uitoefenen van wraak. Wessels biedt een ander idee en vertaalt het 'en' (in het Hebreeuws het voegwoord 'waw' dat staat tussen hun kelen en een tweesnijdend zwaard maar dat in de beide vertalingen is weggelaten) als: ‘dat is’ of een dubbele punt: ‘De lof van God in hun mond (keel): een tweezijdig zwaard scherp in hun hand. "De dubbele punt kan worden vervangen door" is als". Maar helaas vereist het accent in het Hebreeuws (een atnakh) hier een scheiding tussen de twee delen van vers 6. Deze interpretatie van waw is dus niet mogelijk. Anderzijds kan de waw ook een oppositie ("maar") betekenen. Het is beter om te vertalen: 'Gods lof is in hun mond, maar het tweesnijdend zwaard is in hun hand om wraak te nemen op de naties ...’. Dus de getrouwen nemen hier wraak en niet God. Volgens Wessels is het God die straft en tuchtigt en niet de mens. Psalm 49 blijft dus voor hem een ​​lofzang en geen lied van strijd of straf.

 

Maar als ik (PR) me baseer op veel teksten in de Bijbel, andere dan die door de auteur zijn aangehaald, denk ik dat het geweld en het kwaad in de Bijbel, zelfs door de ‘rechtvaardigen’, niet kan worden verklaard.

 

Vertaling                                    

Soms lijkt een vertaling uit het Hebreeuws of Arabisch geïnspireerd door de wens van de auteur om een vergelijking tussen de Bijbel en de Koran te vinden of om zijn argument kracht bij te zetten.                    

-In hoofdstuk I vertaalt Wessels alkitâba tamiman van de Koran met ‘het complete boek’ om deze passage te vergelijken met Psalm 119:8 "De wet des Heren is volmaakt" (compleet). In de Koran maakt tamimam deel uit van wat volgt en kan niet verwijzen naar alkitâba. Mem moet vertalen: ‘We hebben aan Moesa het Boek gegeven, om [onze genade] ...volledig te maken’ (vgl. Koran 6: 154). Men kan dus niet vertalen met ‘het volledige / complete boek’.

 

- In hoofdstuk VI wordt het eerste vers van Marcus vertaald met "Evangelie van Jezus Christus, de Messias". Zoals hierboven al gezegd, is 'goed nieuws van Jezus Christus' een politieke boodschap, omdat  goed nieuws een militaire overwinning betekende voor de Romeinen. Door 'de Messias' toe te voegen geven we deze titel nog meer politieke inhoud. Wat er staat is: 'Begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God'. "Sommige versies laten "zoon van God" weg.

 

-In hoofdstuk VII ziet Paulus een licht op de weg naar Damascus en hoort hij een stem die hem de gelegenheid geeft te spreken. De auteur vergelijkt dit met Mohammeds ervaring toen hij de eerste openbaring ontving: Koran 96: 1-2: 'Spreek (iqra), in de naam van jouw Heer ...'. Wessels legt terecht uit dat het  Arabische "iqra" "reciteer" betekent, hoewel hij het vertaalt met ‘spreek’. Hij vervolgt: ‘het werkwoord qara’a in het Arabisch heeft dezelfde betekenis als het werkwoord qara in het Hebreeuws '. Maar in het Hebreeuws betekent het werkwoord bijna altijd 'roepen, oproepen' en nooit 'spreken'. Alleen in Deut. 17:19 wordt het werkwoord wordt gebruikt met de betekenis van 'Lees hardop’.

 

Redenen waarom je dit boek niet zou moeten lezen 

Het boek is een wetenschappelijk doorwrocht werk. De auteur komt niet meteen ter zake maar maakt nogal wat omwegen of volgt secundaire paden. De lezer kan in verlegenheid worden gebracht of in de war raken door de veelheid aan historische details, uitgebreide inleidingen of uitweidingen, persoonlijke anekdotes, keuzes van schijnbaar willekeurige gedichten en psalmen.

 

Redenen om dit boek wel te lezen 

Het boek is als een verborgen schat in het veld (Mattheüs 13:44). Eerst moet men de schuilplaats zoeken. Als die eenmaal gevonden is, moet men nog flink graven om de ware rijkdom te vinden. De auteur opent nieuwe perspectieven voor een "intra-bijbelse" en interreligieuze exegese. Hij aarzelt niet om de thema's die hij aan de orde stelt te verbreden door historische en culturele toevoegingen. Hij verbergt zijn liefde voor de bijbelse of klassieke literatuur niet. Zijn passie voor gerechtigheid en voor het koninkrijk van God evenaart zijn passie om de apocalyptische teksten in een groter kader te plaatsen. Het zal niemand verbazen dat de auteur  soms de toon van een predikant aanneemt of een meditatie presenteert. Kortom, een rijk en verrijkend boek.

 

Piet Reesink.

Reesink is een oud-leerling van  de voorloper van PISAI (Pauselijk Instituut voor Arabische en Islamitische Studies in Rome) in Tunesië, waar hij Arabisch en Islam studeerde. Na taalwetenschappen in Parijs aan de Sorbonne, is hij momenteel bezig met Bijbels Hebreeuws.

 

Deze boekbespreking werd in het Frans gepubliceerd in Islamo-Christiana, 46, 2020, tijdschrift, uitgegeven door het Pauselijk Instituut van Arabische en Islamitische Studies in Rome.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Mijnheer Ibrahim en de bloemen van de koran

Door: Hein van Kemenade 

‘Toen ik elf was heb ik mijn varken kapotgeslagen en ben ik naar de hoeren gegaan' 

Zo begint Mozes zijn tirade tegen het leven en de wereld en zijn ouders. Maar de hoeren vinden hem nog te jong, behalve die ene, de nieuwe. En zo wordt Mozes gedoopt tussen de dijen van een vrouw.

 

‘Rond die tijd leerde ik meneer Ibrahim kennen' Dat is wel het beste wat Mozes kon overkomen. Meneer Ibrahim is kruidenier in een piepklein winkeltje in de Rue Bleue in Parijs, niet ver van de rue Faubourg-Poissonnière. Elke dag doet Mozes er boodschappen om eten te maken voor hemzelf en zijn vader, die advocaat is. Zijn moeder is er met het lievelingskind van zijn vader vandoor gegaan. Mozes moet het hele huishouden doen. Omdat zijn vader hem valselijk van diefstal beschuldigde, besluit hij om daadwerkelijk te stelen. Geld van zijn vader en blikken groente uit de winkel van meneer Ibrahim. Hij bezuinigt ook op het huishoudgeld door boerenpaté te vervangen door hondevoer.

 

Hij werd al snel door meneer Ibrahim omgedoopt tot Momo. Aanvankelijk verlopen hun gesprekken met één zin per dag. Het blijkt dat meneer Ibrahim alles in de gaten heeft. Erg mooi is de scène wanneer er in de buurt filmopnames gemaakt wordt met Brigitte Bardot. Iedereen met een geslacht is dan in rep en roer. Mannen kunnen niet meer denken en vrouwen willen wel eens weten of ze echt zo mooi is. Zelfs meneer Ibrahim komt van zijn kruk. Brigitte Bardot komt in de winkel van meneer Ibrahim om een fles water te kopen. De rekent haar 40 Francs in plaats van 2, wat zo'n fles gewoonlijk kost. Brigitte schrikt ervan: ‘Ik wist niet dat water hier zo schaars was', waarop meneer Ibrahim schalks repliceerde: ‘Water is hier niet schaars, juffrouw. Echte filmsterren wel.' Mozes vindt het lef hebben van meneer Ibrahim, maar deze zegt doodleuk: ‘Ja, hoor eens, mijn kleine Momo, ik moet toch op de een of andere manier al die blikken die jij van me jat terugverdienen?'

 

Vanaf toen waren het vrienden, Momo en meneer Ibrahim. ‘Waarom glimlach je nooit Momo?' vraagt meneer Ibrahim. ‘Probeer het maar eens.' Momo ontdekt een machtig wapen. Als hij iets gedaan wil hebben of zelf tekort geschoten is. Paf: een glimlach! En de hele wereld ziet er anders uit. Iedereen reageert vriendelijker. Dat heeft hij nog nooit meegemaakt. De wiskundelerares is niet boos op hem wanneer hij zijn sommen niet maakt. Met gymles hoeft hij niet mee te doen. En in de rue de Paradis mag hij mee met de mooiste hoer. Alleen bij zijn vader gaat het moeizamer. Die vindt dat zijn tanden te ver naar voren staan en zegt dat hij een beugel moet. Dan plaatst meneer Ibrahim zijn tweede voltreffer: ‘Zie je het al voor je? Jij, in de rue de Paradis, met een mond vol ijzer. Wie van de dames zou jou nog geloven als je zegt dat je zestien bent?'

 

Momo vraagt aan meneer Ibrahim hoe hij zo wijs is geworden en waarom hij zo gelukkig is. Meneer Ibrahim verwijst naar de koran. ‘Ik? Ik weet niets. Ik weet alleen maar wat er in mijn koran staat.' Hij is een Soefi uit de Vruchtbare Maansikkel, een gebied wat zich uitstrekt van Anatolië tot Perzië. Hij heeft het over de bloemen van de koran. Maar zegt ook dat als je iets wilt leren, je geen boek moet lezen. Je moet met iemand praten. Hij gelooft niet in boeken. Later, wanneer meneer Ibrahim Momo als zoon heeft aangenomen en ze met de auto door Zuid Europa en het Midden Oosten reizen, zit Momo achter het stuur en moet op het verkeer letten. Meneer Ibrahim vertelt wat er te zien is en zo hoort Momo wat meneer Ibrahim ziet.

 

Op de reis naar het land van meneer Ibrahim kunnen ze het geluk ruiken. Ze dansen en bidden met de derwisjen. Momo huilt en tolt en keert als volwassene terug. Na het overlijden van meneer Ibrahim erft hij diens koran. Hij vindt er twee gedroogde bloemen en een brief van zijn vriend Abdoellah in.

 

Mijnheer Ibrahim en de bloemen van de koran is een klein boekje, mooi gebonden wat mij erg doet denken aan de sfeer van De kleine prins.

 

Eric-Emmanuel Schmitt, Mijnheer Ibrahim en de bloemen van de koran, Atlas € 12,50

 

Gied gen Berge tijdens zijn promotie op 12 juni 2020: Pelgrimage naar het (heilig) Land. Voor de promotie zie: https://www.nieuwwij.nl/actueel/het-palestijnse-kom-en-zie-initiatief-in-twee-perspectieven/

Voor het boek: Pelgrimeren met een missie: ga naar https://www.pthu.nl/irilis/news-events/News/nsrl23-pelgrimeren-met-een-mis/ 

11 augustus 2020

Illustratie en tekst overgenomen van https://isndiyanet.nl/nieuwe-publicatie-isn-handboek-van-de-islam/

Later volgt een bespreking door BEGRIP.

 

De Islamitische Stichting Nederland (ISN) heeft een gezaghebbend boekwerk, getiteld “Handboek van de Islam”, succesvol naar het Nederlands vertaald en gepubliceerd. Het gehele vertaalproject nam ruim drie jaar in beslag.

Het omvangrijke boek werd oorspronkelijk onder de naam “İslam İlmihali” uitgegeven door het Presidium voor Religieuze Zaken. Na een intensief proces van vertaling, eindredactie, revisie, vormgeving en druk is het boek vanaf heden te koop.

Het Handboek van de Islam is een 873 pagina’s tellende islamitische catechismus die gedetailleerd ingaat op de soennitische islamitische geloofsleer, de plichtenleer, handelingen die geoorloofd en verboden zijn, de ethiek en de biografie van de profeet Mohammed. De doelgroep van het boek bestaat uit meertalige of Nederlandstalige moslims alsmede niet-moslims die geïnteresseerd zijn in de Islam. Het boek kan tevens voor studiedoeleinden worden gebruikt.

Het handboek is vertaald door een specialist religieuze vertalingen die werkzaam is bij ISN Tijdens de vertaling zijn de theologische en academische richtlijnen in acht genomen. Later dit jaar volgt nog een officiële boekpresentatie, waarvoor geïnteresseerden zich te zijner tijd kunnen aanmelden.

Het boek wordt tegen een sterk gereduceerd tarief aangeboden en kost slechts € 9,99. Bestellen kan online via www.isnshop.nl. Voor onze moskeevestigingen gelden aangepaste tarieven. Wij danken het bestuur van de 19e termijn van ISN en al onze stakeholders voor hun steun aan het vertaalproject.

Momenteel werkt ISN aan twee andere prestigieuze vertaalprojecten: een omvangrijke hadith-collectie met 1.601 overleveringen die ingaan op God, het universum, het belang en de waarde van kennis, geloofsartikelen, aanbidding, ethiek, burgerschap, het hiernamaals, geschiedenis en beschaving. Daarnaast werkt ISN aan een geannoteerde Koranweergave waarbij de Koran, inclusief commentaar, naar het Nederlands wordt vertaald.

 

De zgn. vuurproef: een van de mythes rond het verhaal van Franciscus en de sultan.

Deze zogenaamde vuurproef heeft nooit plaatsgevonden evenmin als de aanwezigheid van de verleidelijke dame.

Boekbespreking mei 2019

Franciscus van Assisi ontmoet de sultan. Vredesmissie in oorlogstijd, Paul Moses, Berne Media, Uitg. Abdij van Berne, 2019, 301 bl., 24,90 euro.

Gelukkig de vredelievenden

Franciscus en de sultan

 

Dit boek gaat over veel meer dan de titel en ondertitel doen vermoeden. De Engelse titel (2009) luidt: The Saint and the Sultan: The crusades, Islam and Francis of Assisi’s Mission of Peace. Dit geeft beter de inhoud weer. Met dit verhaal wil Paul Moses, voormalig hoofdredacteur van Newsday en hoogleraar  journalistiek,  een 800 jaar oude ontmoeting onderzoeken en deze tot voorbeeld stellen voor de ontmoeting tussen christenen en moslims van vandaag.  De protagonisten, Franciscus en sultan Malik al-Kamil, rijzen door hun karakter en vredelievende houding hoog boven hun omgeving en tijdgeest uit. Niet door allerlei legendes en mythes die al kort na de dood van Franciscus zijn ontstaan zoals de vuurproef (het Godsoordeel)(zie afbeeldingen). Hiermee maakt de schrijver korte metten. De geschiedenisvervalsing  geldt zowel voor de ontmoeting met de sultan als voor het leven van Franciscus, die vooral door Bonaventura, de Fioretti  en middeleeuwse kunstenaars zoals Giotto zijn opgesmukt en aangedikt vanwege oneigenlijke motieven.  

 

Moses probeert de ware aard van de hoofdfiguren te schetsen door terug te gaan naar authentieke bronnen zoals Thomas van Celano en Jacob van Vitry. Het is een beschamend en onthutsend verhaal van pausen, kardinalen en bisschoppen die -ieder met eigen motieven-  in het begin van de dertiende eeuw geweld bevalen en dat verkozen boven vrede. Zo hebben ze de idealen en het visioen van Franciscus de grond in geboord omdat deze niet strookten met hun politieke idealen tijdens de kruistochten.  

Franciscus’ ommekeer

Deze is niet in één moment gebeurd. Als rijk uitgedoste edelman nam hij waarschijnlijk deel aan een oorlog tussen Assisi en Perugia. Hij werd gevangengenomen en verbleef een jaar lang in een onderaardse kerker. Dankzij het losgeld van zijn vader keerde hij terug naar Assisi maar wel als een fysiek en emotioneel wrak, uitgehold en depressief. In een langzaam bekeringsproces kreeg hij een afkeer van alles wat hij tot nu toe had bewonderd. Hij werd vrijgevig en gaf zijn verfijnde kleren aan een berooide ridder. Maar zijn verlangen naar roem, bevestigd door een droom, bleef evenals zijn wens om geridderd te worden. Op weg naar Apulië, naar de strijd, kreeg hij een andere droom: ‘Waarom laat je de Heer in de steek voor de knecht?’ Hij ging terug, verkocht paard, kleding en uitrusting en gaf het geld weg. Na een gesprek met een vriend en gebed in een grot kon hij het oorlogsgeweld afzweren. Armoede en geweldloosheid zullen levenslang deel uitmaken van zijn visioen. Maar er kwam nog iets bij: de ontmoeting met een melaatse. Hij kuste hem op hand en mond en ging melaatsen verzorgen in een hospitaal, wat hij later zal beschouwen als boetedoening. “Wat me bitter leek, was voor mij veranderd in zoetheid naar ziel en lichaam”.  Het laatste moment van zijn bekering vond plaats bij het kerkje van San Damiano. “Ga mijn huis herstellen, dat –zoals je ziet- helemaal in puin ligt’. De basis van zijn dienstwerk was gelegd: vrede en verzoening. ‘De liefhebber van het ridderschap en de bevoorrechte zoon van een rijke koopman was herboren als vredestichter”, aldus de auteur.

De nieuwe weg.

De nieuwe weg was niet gemakkelijk. Beschimpt, vernederd, aangeklaagd door zijn vader bij de bisschop, gaf Franciscus wat hem nog restte, zelfs zijn kleren, terug aan zijn vader. De bisschop bedekte zijn naaktheid met zijn mantel. Zwervend door de natuur met enkele broeders beantwoordde hij elk baldadig gedrag met “Moge de heer u vrede geven”. Tegengewerkt door priesters en bisschoppen, zocht Franciscus bescherming  hogerop, bij de paus, ook al omdat hij niet als ketter (kathaar) gezien wilde worden. Innocentius III, die als een keizer regeerde en zich als eerste paus plaatsvervanger van Christus liet noemen, weigerde aanvankelijk maar kwam later onder de indruk van Franciscus.

Vredestichter

Franciscus was overtuigd dat vrede alleen kan ontstaan als armoede tot ideaal wordt. Hebzucht en geld leiden tot wapens en oorlog. Hij predikte vrede en geweldloosheid meer door gedrag dan met woorden. Hij schreef een Regel voor zijn Derde orde: men mocht geen eed afleggen en geen wapens dragen. Zo kon men dus niet vechten in de kruistochten, terwijl de paus daartoe wel opriep. Het verhaal van de wolf van Gubbio, die Franciscus temde, was vooral symbolisch bedoeld. Men moest de vijandige wolf  (moslims) niet bestrijden met geweld, maar met liefde. Een letterlijk ontwapenende handelwijze, ongewoon voor die tijd. Een mislukte poging om Marokko te bereiken (1213-1214) bracht hem tot Santiago, waar God hem openbaarde dat hij talrijke broeders over de hele wereld zou krijgen.

Vijfde kruistocht

Paus Innocentius III wilde corruptie en incompetentie van de geestelijkheid bestrijden door hen met urgentie op te roepen tot een nieuwe kruistocht, terwijl sultan Malik al Adil niet wilde strijden maar onderhandelen. Ook een brief van de patriarch van Jeruzalem met dezelfde strekking werd terzijde geschoven. Innocentius spoorde in zijn preek op 11 november 1215 de voor het concilie verzamelde geestelijken aan om de taak van Gods wraak uit te voeren, met een verwijzing naar de profeet Ezechiel. De druk om op kruistocht te gaan werd opgevoerd, maar Franciscus had in het kapittel van 1217 juist besloten om broeders op zending- en vredesmissie te sturen, naar Akko, Frankrijk en Duitsland. Vanwege een gebrek aan voorbereiding  en door tegenwerking van de geestelijkheid werd dit een echec. Weer was Franciscus genoodzaakt  een beschermheer te zoeken, ditmaal in de persoon van Hugolinus, de latere paus Gregorius IX.  Maar Hugolinus zag de broeders liever preken tegen de ketterse katharen dan dat ze moslims zouden bekeren in het Midden Oosten.

Malik al Kamil

De moslims  hadden onder Saladin in 1187 Jeruzalem heroverd op de kruisvaarders.  Saladin was een oom van Malik al Kamil. Al-Kamil had al vroeg, in positieve zin, kennis gemaakt met de christenen. Want in 1192 was hij als elfjarige jongen in Akko geridderd door Richard. Dit was vooral een symbolische daad, die de trouw moest bevestigen tussen Richard en sultan Adil, de broer van Saladin, om eerlijke vredesonderhandelingen aan te gaan. In 1209 slaagde de ervaren  en diplomatiek ingestelde Adil erin  om de macht en het rijk over te nemen van Saladin. Hij stelde zijn zoon Al-Kamil aan als onderkoning van Egypte. Al Kamil was toleranter tegenover de inheemse christenen  (de kopten) dan zijn vader. Zo beslechtte hij een conflict tussen conflicterende christenen door een vrome –en geen politieke- patriarch aan te stellen. Hij was een goed bestuurder, stichtte veel soennitische islamitische scholen, versterkte de havenstad Damiëtta en sloot handelsverdragen met kuststeden, ook Italiaanse.

Damiëtta

De vijfde kruistocht (1217) vond plaats in Israel op de Thabor en in Egypte bij Damiëtta, een vestingstad ten oosten van de Nijl-delta. De strijd om Damiëtta wordt door de schrijver breed uitgemeten met veel details voor strategie en tactiek (blijden, drijvende aanvalstorens, Grieks vuur). Maar juist over de tactiek waren de religieuze leiders, vooral Kardinaal Pelagius Galvani, en de militaire strijders, m.n. Jan van Brienne, het niet eens. De laatste wilde wachten op versterking, de eerste wilde aanvallen. Na een gedeeltelijke overwinning door de christenen op een vijandelijke verdedigingstoren, slingerden de christenen de afgehakte hoofden van de moslims  het belegerde Damiëtta in.  Het christelijk kamp raakte daarna verzwakt door storm, overstroming en ziekte maar toch gaf Pelagius in februari 1219 het bevel om aan te vallen. Ook de positie van Al-Kamil was verzwakt. Damiëtta werd nog steeds belegerd, en tot overmaat van ramp werd er een samenzwering tegen hem gesmeed, waardoor hij naar het zuiden moest vluchten. Hij stelde voor dat de christenen Jeruzalem zouden krijgen in ruil voor het verlaten van Egypte. Maar Pelagius weigerde.

Kapittel Assisi

Intussen moest Franciscus tijdens het kapittel van 12 mei 1219 in Assisi een donderpreek houden tegenover 5000 broeders, van wie vele morden omdat zij het ideaal van armoede niet zagen zitten. Naast het aanwakkeren van de broeders breidde Franciscus zijn missieplannen uit. Franciscus zelf zou samen met Petrus Catani naar Egypte gaan. Ze scheepten zich in op 24 juni 1219.

Verdeeldheid

Bij hun aankomst in Egypte in juli 1219 vonden ze het christelijke kamp verzwakt en gedemoraliseerd door mislukte aanvallen en tegenaanvallen. Maar ook binnen het kamp was er verdeeldheid, weer over de tactiek. Op 29 augustus wilde Pelagius aanvallen maar Franciscus was overtuigd dat een aanval zou mislukken. Terwijl Pelagius c.s. baden voor een succesvolle strijd, preekte Franciscus in het kamp tegen de oorlog. Dit was ongehoord. Immers, paus Innocentius III had in een brief de moslims afgeschilderd als ‘het machtige beest’ uit de Openbaring, van wie het einde na 666 jaar nabij was. Franciscus met zijn ‘God wil geen oorlog’ ging dus in tegen de paus (Deus vult). De aanval werd inderdaad een ramp. Tussen de drie en zes duizend christenen kwamen om en vele werden gevangen genomen.  Maar Damiëtta was nog steeds niet veroverd.

Franciscus en de sultan

Tijdens een onderhandelingsperiode ging Franciscus op eigen verantwoordelijkheid samen met broeder Illuminatus met gevaar voor eigen leven richting het moslim kamp. Ze werden naar de sultan gebracht. “Komen jullie met een boodschap?” Men dacht dat ze officiële onderhandelaars waren. “Wij zijn gekomen met een boodschap van God de heer om uw ziel voor God te behouden”. Meerdere dagen lang te midden van een keur aan erudiete religieuze denkers en filosofen preekte en dialogeerde Franciscus hartstochtelijk met de sultan en zijn adviseurs, onder wie een soefi. Al-Malik sympathiseerde met de mystieke islam maar liet zich niet bekeren. Hij beloofde de godsdienst te kiezen   ‘die God wil’. Franciscus weigerde de kostbare geschenken die de sultan meegaf maar vroeg wel om een maaltijd, waarschijnlijk vanwege de symbolische betekenis van tafelgemeenschap.

Het kwaad

Enkele maanden later, in november 1219, werd Damiëtta zonder slag of stoot ingenomen. Van de 80.000 inwoners bleven er drie duizend over. Er werd gemoord en geplunderd en de buit werd niet verdeeld zoals was afgesproken. ‘Franciscus zag het kwaad  en de zonde die onder de mensen van het legerkamp begon te groeien en hij verafschuwde het’.

 

Teleurstellingen

Na het bloedbad in Damiëtta vertrok Franciscus zwaar gedesillusioneerd naar Akko, het kruisvaardersbolwerk dat een verderfelijke stad was geworden.  Daar hoorde hij dat zes broeders in Marokko waren onthoofd in januari 1220. Ze waren te gretig geweest om martelaar te worden door moslims meer te provoceren dan hen vriendelijk tegemoet te treden. Hier kwam nog een teleurstelling bij door nieuws uit Italië. Daar hadden de vicarissen tegen de regel van armoede gehandeld door huizen te bouwen, te studeren en de eenvoudige levenswandel te verlaten. Door de karakteristieke eigenschappen van Franciscus’ regel te loochenen, gingen de broeders lijken op de reeds bestaande religieuze ordes. Door dit alles en de gebeurtenissen in Egypte keert Franciscus zwaar teleurgesteld huiswaarts.

Buiten spel gezet

Terug in Italië gaat hij de meest gefrustreerde jaren van zijn leven tegemoet. Binnen de orde wordt hij steeds meer gemarginaliseerd want machtige en geleerde mannen herstructureren zijn orde. Zijn ideaal blijkt te hoog gegrepen niet alleen voor zijn broeders maar ook voor paus Honorius III, die rommelt aan zijn regel. Buiten spel gezet neemt Franciscus afstand als hoofd van de broeders. Hij wordt zwaarmoedig en wil terug naar het Midden Oosten, waar hij onder de indruk was gekomen van het vijf maal terugkerende dagelijkse moslim gebed. Hij schrijft een brief aan alle stadsbestuurders: “Doe een oproep tot universeel openbaar gebed om God te loven”, daarbij dreigend met de dag des oordeels als ze dit voorstel niet zouden uitvoeren. Deze brief wordt weggewerkt en wordt pas in de 17e eeuw herontdekt.

Nieuwe regel voor missionaire taken

Zijn ervaring met de sultan en de dood van de broeders in Marokko noopt Franciscus tot meer omzichtigheid bij de missionering van moslims. “Ik zend jullie als schapen onder de wolven, weest scherpzinnig als de slang maar behoud de onschuld van een duif”. De broeders mogen niet discussiëren met de moslims en moeten conflicten uit de weg gaan. Ze moeten ‘zelfs ieder menselijk schepsel  onderdanig zijn omwille van God’ en alleen preken ‘als ze zien dat dit de Heer behaagt’. Franciscus slaagde er echter amper in zijn broeders mee te krijgen met zijn revolutionaire ideeën over de omgang met de moslim wereld.

 

Finale nederlaag, gevolgd door verrassing

Intussen had Al-Kamil in Egypte een enorm  leger verzameld. Pelagius zag het gevaar van Genghis Khan uit het Oosten als een gunstig voorteken om aan te vallen maar de militaire strateeg Jan van Brienne, uit Akko teruggekomen, waarschuwde Pelagius dat een veldslag in de delta niet haalbaar was en dat het hoe dan ook onmogelijk was heel Egypte te veroveren en te behouden. Bovendien was het christelijke leger niet erg gemotiveerd om de strijd aan te gaan. Volgens de woorden van Olivier van Paderborn was “de verwording van ons leger, nadat Damiëtta door God gegeven was, met geen pen te beschrijven… Lui en verwijfd was het volk besmet met onzedelijkheid en dronkenschap, hoererij en overspel, diefstal en woekerwinsten”.  Velen wilden niet vechten, ze hadden immers Damiëtta al veroverd.  Desondanks rukten de kruisvaarders op naar het kampement van de sultan 12 km ten zuiden van Damiëtta en slaagden erin het leger van de sultan zo’n twintig km terug te dringen naar het zuiden. Pelagius weigerde op instigatie van de paus een hernieuwd vredesvoorstel van Al-Malik. Door slim gebruik te maken van de Nijl met zijn kreken en zijarmen kon de sultan het kruisvaardersleger isoleren. In de nacht van 12 augustus 1221 wilden de christenen een terugtocht forceren.  Dronken soldaten, die hun wijn niet achter wilden laten, ‘doolden door de duisternis van de nacht als verdwaalde schapen’. De volgden ochtend probeerde Jan van Brienne, samen met de tempeliers en de johannieters, toestormende met de sultan gelieerde Ethiopische voetsoldaten tegen te houden. Er vielen duizenden slachtoffers aan beide zijden. Het debacle werd nog erger toen de sultan de irrigatiesluizen opende en ‘onze mensen tot hun benen en hun middel in het water stonden, tot hun grote ellende en smart’. Het werd tijd om over vrede te praten. Tijdens de vredesonderhandelingen op 29 augustus 1221 probeerden de kruisvaarders nog een laatste strijd aan te gaan, die de sultan wijselijk ontweek. De overgave van Damiëtta verliep moeilijk. Er werden gijzelaars uitgewisseld. En – tot grote verrassing van de kruisvaarders- gaf de sultan een feestmaal voor de christenen en voorzag ruimhartig in de behoeften van de hongerige gevangen soldaten. Vijftien dagen lang gaf hij het christelijke leger te eten. Hij bouwde een brug over de Nijl om de terugtocht van de christenen te versnellen. Voor Franciscus moet de handelwijze van Al-Kamil het vredesvisioen hebben opgeroepen van Jesaja: de leeuw graast samen met het lam de baby speelt bij het nest van de cobra.

 

Zijn erfenis ontkracht                                                                                           Zijn laatste levensjaren besteedde Franciscus aan het hartstochtelijk preken over vrede.  Hij probeerde in 1221 de Regel te herschrijven maar zijn eigen ervaring en ideaal (zich onderwerpen aan ieder schepsel en vriendelijk omgaan met moslims) werden door Hugolinus uit de tekst gehaald. In de door de paus goedgekeurde regel (1223) werd als missionair beleid gesproken over ‘verzoek om overplaatsing’ naar missiegebied. Ook de manier van preken (geweldloos handelen, omzichtig preken, alleen als dit de Heer behaagt) werd achterwege gelaten. Hierdoor en door de aankondiging van weer een  nieuwe kruistocht voor 1225 raakte Franciscus gedeprimeerd. Er hebben er nog twee belangrijke gebeurtenissen plaatsgevonden: de stigmata en het Zonnelied.

De stigmata

In 1224 trekt Franciscus zich terug op de berg La Verna, waar hij veertig dagen vast en mediteert over het lijden van Jezus. In een visioen ontvangt hij de stigmata, de tekenen van de wonden van Christus in handen, voeten en zijde. Hij schrijft een gebed op dat veel lijkt op de 99 schone namen van God in de islam. Ook tekent hij een gezicht met baard en tulband naast een T , de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, teken van bescherming uit Ezechiël. Was dit bedoeld als een gebed om bescherming te vragen voor de sultan al-Kamil? Zijn visioen gaat dus gepaard met de zorg voor het lijden van anderen en hun veiligheid.

Zonnelied

De laatste jaren van zijn leven brengt Franciscus door bij de zusters van Clara, in een donkere cel. Hij weende voortdurend. Er was reden te over.  Teleurstellingen over zijn missie, zijn broeders, zijn gewijzigde regel, het doorgaan van geweld. En toch heeft hij in die periode van neerslachtigheid zijn Zonnelied gecomponeerd, in zijn geliefde Umbrische dialect. Gefrustreerd, omdat zijn broeders passief toekeken bij een ruzie tussen de burgemeester van Assisi en bisschop Guido, voegde hij er nog een couplet aan toe, over vergiffenis.  Dat moest worden voorgelezen aan de twee kemphanen. Ze werden tot tranen bewogen en de bisschop vroeg om vergeving.  Bang dat zijn ideaal van vrede niet zou worden doorgegeven door zijn broeders, schrijft hij in zijn testament: ‘De heer heeft mij een groet geopenbaard: Wij moeten zeggen:  “De Heer geve je vrede”.

Voortgang strijd in Palestina

Die vrede gold helaas niet, na de dood van Franciscus op 3 oktober 1226,  voor keizer Frederik III en Paus Gregorius,  die elkaar een kruistocht en elkaars gebied bevochten. Ook niet voor Al-Kamil en Frederik, die zowel militair als cultureel aan elkaar gewaagd waren. Maar ze hadden ook respect en bewondering voor elkaars cultuur en bereikten een compromis. Frederik zou Jeruzalem krijgen voor tien jaar tegelijk met Bethlehem en Nazareth, terwijl Al-Kamil de Rotskoepel en de Al-Aqsa-moskee toebedeeld kreeg. Tegen dit verdrag van Jaffa in 1229 protesteerden zowel christenen als moslims. Toen Al-Kamil stierf in 1237, weende Frederik.

Als epiloog laat de schrijver zien dat de ware idealen en visioenen van Franciscus pas zeven en een halve eeuw later zullen worden omhelsd door de kerk, vooral  in het Tweede Vaticaans  Concilie en de toespraken van paus Johannes Paulus II.

 

Dit boek is een prachtige reconstructie van twee uitzonderlijke figuren, die beiden ver uitsteken boven hun geloofsgenoten en tijdgeest. Een wonderschoon voorbeeld van hoe de dialoog tussen een christen en een moslim kan plaatsvinden in de moeilijkst denkbare omstandigheden.

 

Franciscus van Assisi ontmoet de sultan. Vredesmissie in oorlogstijd, Paul Moses, Berne Media, Uitg. Abdij van Berne, 2019, 301 bl., 24,90 euro.

 

P. Reesink, mei 2019

 

 

Boeken   uit BEGRIP 2-2010 bl. 92-93

Maak een Gratis Website met JouwWeb